De FotoKlik van Domburg — aflevering 1
Popularity: 13% [?]
Popularity: 13% [?]
Zeeuwen neuken meer dan andere Nederlanders. Dat zit er vanoudsher in. Kom ik kennismaken met mijn nieuwe schoonvader, een zeer fatsoenlijke boer uit de Kalfhoek, die op dat moment hoog op de dilt in de schuur staat, ik beklim de ladder en hij zegt bezorgd:
“Neukt’er niet af, hoor.“
Sta ik aan de bar bij mijn stamcafe Tramzicht, Kojan Geldof vertelt over een vechtpartij ergens, dat er vreselijke klappen werden uitgedeeld.
Kojan zegt:
“En hij gaf hem toch een neuk”.
Breng ik namens mijn grootmoeder eieren naar de vrouw van de dominee, laat ik op het achterpadje pardoes een ei aan stukken vallen. Ik schrik. De domineesvrouw ziet het en roept:
“Ach, dat neukt niets, hoor.”
Neuken dus.
Lang voordat het in het Algemeen Nederlands als een smerig woord werd gebruikt, was het in Zeeland een normaal en zeer fatsoenlijk werkwoord en zelfstandig naamwoord. We keken er niet van op. Onze taal zat er vol mee. Het was een volkomen normaal woord. Je gebruikte het voor vanalles. Voor een stomp, dus, of voor een val, of gooien, er zijn nog veel meer voorbeelden. Neuken is een typisch voorbeeld van een mooi multifunctioneel Zeeuws woord. Pas toen ze in Holland er andere dingen mee gingen bedoelen, dingen waar wij eigenlijk geen woord voor hadden en die een fatsoenlijke Zeeuws nooit hardop zou uitspreken, is neuken ook in Zeeland een besmet woord geraakt. Tot de commissaris van de koningin Wim van Gelder, die net vers in Zeeland ‘s avonds het Zeeuwse woordenboek uit zijn hoofd zat te leren, het woord neukedeunen ontdekte. Toen was de beer los. Van Gelder gebruikte het woord in tal van toespraken, deels om aan te geven welk een typisch volkje wij zijn, maar ook deels in een poging (dat moet gezegd) om het Zeeuws te promoten. Dat een bijna dode taal nooit gepromoot kan worden door een notabel, weerhield de ijverige commissaris er niet van het woord neukedeunen (meestal op lacherige toon) door tal van microfoons en over pleinen te laten schallen.
Een neukedeun is Zeeuws voor een raar ding. Dat kan vanalles zijn. Een dorpsjongen die zo slordig is dat hij een ei laat vallen op het padje van de domineesvrouw of een Amsterdamse gezant van de koningin die wil laten blijken dat hij zich heeft verdiept in de cultuur van het volk dat hij bestiert.
Niemand zegt meer neukedeunen tegenwoordig. Omdat het Algemeen Nederlands er een onfatsoenlijke klank aan heeft gegeven. Maar veel Zeeuwen denken het nog dagelijks. Want kijk maar om je heen, er zijn nog veel rare dingen in deze wereld.
Popularity: 12% [?]
In de jaren daarna ontwikkelde Rudy zich tot een gitarist die meekon met de top van de provincie Zeeland. Hij speelde in Middelburg en Vlissingen met de legendarische gitaristen van de band Dragonfly. Hij werd ingehuurd als invaller bij een concert van Brainbox en gaf nooit meer een live concert op de stoep van de Noordstraat. Ik zag hem, jaren later (ik was ongeveer 18) uit de trein stappen in Middelburg. Met een gitaarkoffer op zijn rug. We gingen koffie drinken in de restauratie en hij vertelde dat hij in Rotterdam net zijn nieuwe gitaar had opgehaald. Rudy opende de koffer en haalde er een glanzend witte gitaar uit.
“Een Fender,” zei ik meteen. Ik had een beetje bijgeleerd in de jaren.
Rudy keek verbaasd en lachte hard.
“Een witte Fender Stratocaster met een vingerbord van rozenhout, meneer. Voel maar,” zei hij.
“Net als Hendrix”, zei ik.
“Net als Hendrix”, zei hij.
En we namen nog een dubbele chocomel.
Of hij dat nog wist, vroeg ik, met zijn eerste gitaar dat concert voor buurtkinderen, in de Noordstraat toen hij amper elf was. Hij knikte, maar keek twijfelend. Hij was al een eindje in de twintig en het was zo lang geleden. Er waren in het leven van een Domburgse topgitarist zoveel schaduwen opgelost en zoveel zonnen opgekomen in die jaren.
Ik vertelde hem hoe het toen ging.
“Dat gaan we volgende week meteen overdoen,” zei hij vastberaden, “Als ik deze baby heb ingespeeld, dan komen jullie weer en dan swingen we de pan uit in die oude Noordstraat.“
Dat was afgesproken.
Maar die volgende week was Rudy op reis, en daarna weer, kortom, het kwam er niet meer van.
We hebben de pan niet uitgeswongen in die oude Noordstraat.
Jammer is dat wel.
Niet vaak, maar er zijn momenten dat Rudy met zijn Fender ineens in mijn gedachten schiet. Als een versneld beeld, een vonkje in de lange rij van beelden die je in je leven ergens opslaat. Bij een lauwe zonsondergang over zee, met je rug naar Carmen Sylva. Dicht genoeg bij de kop van Noordstraat om de geluiden daar te horen. Startende auto’s, dichtslaande deuren. Dan zie ik vijf kinderen in korte broek en eentje met een rokje en zwart kroeshaar op de stoep zitten. En Rudy met een spaanse gitaar die breder is dan zijn bovenlichaam.
Het was een gebeurtenis van niemendal. Geen wereldschokkend feit. Maar 45 jaar later schrijf ik het op. Niet om te bewaren of zo, of zelfs maar in een poging een verhaaltje te vertellen. Iets documentairs te doen. Oh ja, ik weet het al. Vorige week was er een filmpje op tv over een Fender. En twee dagen daarna wandelde ik toevallig door de Noordstraat. Die klikjes waren genoeg om oude beelden aan te laten rukken. Gewoon een stukje schrijven is dan een vertrouwde, haast automatische route voor mij. Over die rare hoek hier in de Noordstraat.
Het Motown van Domburg.
Popularity: 4% [?]
Kalenderjournalistiek, zo noemde de oude krantencoryfee Jan Blokker het. Artikelen in de krant schrijven vanwege het feit dat iets 50 jaar geleden is gebeurd of 100 jaar of 750 jaar zelfs. Waarom, zo vroeg Blokker zich af (nota bene tijdens het 100-jarig bestaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten) is iets belangrijker als het vijftig jaar geleden is gebeurd en niet 49 jaar geleden? Zijn vraag werd natuurlijk niet beantwoord en vandaag zie je het nog overal in de kranten: kalenderjournalistiek.
Meestal is het luie journalistiek.
Het zij zo.
De PZC doet er naar hartelust aan mee. Kijk maar naar de serie over het feit dat in november Walcheren 65 jaar geleden werd bevrijd. Overlevenden worden ge-interviewd, de Sloe-dam wordt afgestoft en de paar overgebleven bunkers van de Atlantikwall worden grondig gefotografeerd en gestofzuigd. De grafische man van de PZC-redactie heeft een nieuw logo gemaakt voor de nieuwe oude serie en oude verslaggevers als Ben Jansen, Henk Postma en Jan van Damme schrijven er nog lezenswaardige stukjes over ook. Dat komt nauwelijks door het eigenlijke onderwerp, dat komt vooral omdat die verslaggevers tamelijk bedreven schrijvers zijn. Je kunt ze op Tsjernobil zetten of op de honderdste verjaardag van Zacharias Louws in Aagtekerke, er rolt altijd wel een grinnikend stukje uit.
Maar goed.
De meeste invalshoeken voor dit journalistieke project zijn weinig creatief en voorspelbaar. Zo als ook de werkzaamheden van de her en der op Walcheren opgerichte plaatselijke comitees waarin notabele vrijwilligers, onder het nobele motto Opdat Wij Niet Vergeten, programma’s opzetten met kransleggingen en lezingen en what the duck meer.
Er zijn echter wel wat echte nieuwigheden te beleven voor de krantenlezers en de oorlogshistorici. Vooral voor de inwoners van Domburg en Biggekerke (Beekeu) en omgeving. Want het weinig bekende oorlogsdagboek van Jaap Komejan komt in de krant. PZC-verslaggever Henk Postma heeft in het hart van Domburg de hand weten te leggen op een getypt exemplaar van de belevenissen van een jonge Jaap Komejan gedurende de tien dagen dat de noorwestkant van het eiland werd bevrijd. Het staat er allemaal in heldere taal en scherpe observaties. Jaap Komejan was een journalist avant la lettre. Voor velen in Walcheren zal dit aardige leeskost zijn. En in zekere zin ook nieuws. Nieuwsachtig, moet je eigenlijk zeggen.
Henk Postma (bijnaam in selectieve kring: De Meester) is het type journalist dat zulks weet te waarderen en te vertalen in een zorgvuldig opgezet verhaal. Misschien zoekt hij er nog wat mooie zwartwitfoto’s bij, bij de Domburgse Nelleke Maas van het Zeeuws Documentatiecentrum, en misschien maakt hij er wel een hele zaterdagpagina van.
Wat er precies uitkomt is echter niet zeker, want Henk Postma is een zogenaamde Vrije Geest en dat zijn geesten die zich zelden laten dicteren.
Maar er komt een verhaal.
De Vrije Domburger heeft de pest aan kalenderjournalistiek, maar daar kijkt hij toch wel naar uit. Raar: Om over mezelf in de derde persoon te schrijven.
Dus hou die krant in de gaten. Het is onbekend wanneer de PZC publiceert, maar het zit in de pijplijn. Naar verluidt is Henk Postma, met het dagboek stevig onder zijn arm geklemd, grommend van tevredenheid uit Domburg vertrokken.
Popularity: 5% [?]
Het boek van de Domburger Wim Vreeke over de traditionele Zeeuwse strandvisserij komt eraan. Naar verwachting ligt het in november 2009 in de Zeeuwse boekhandels. De uitgever is de bekende uitgeverij Den Boer/De Ruiter uit Vlissingen. Kijk verder voor een snelle preview.
Is dat een stoere foto of niet?
Cool.
Een Sil-de-strandjutter-achtige sfeer, vind je niet?
De naam van deze blonde held houden we nog even geheim. Het is een voorbeeld van het fotowerk in het boek. De fotograaf is Matty van Keulen. De watertoren is voor de gelegenheid ingehuurd om als achtergrond te dienen. Hij was niet duur en stond mooi stil, naar verluidt.
Maar zonder flauwekul: Het boek — Vissen met zelfgebreide netten op het strand. Dat is het. Zoals Job de schoenmaker en Bram de Pagter het deden. Op de ouderwetse manier een ‘fuke’ breien, een garnalenkor of een sleepnet.
En dan gaan vissen, op een mooie septemberavond in de stille zee. Terwijl de noctiluca diamantjes strooit. Weet je nog hoe dat moet? Natuurlijk niet, dat handwerk is bijna uitgestorven. Wim Vreeke legt alles uit en heeft de technieken in zijn boek verzameld. Aan de hand van oude werktekeningen die zijn grootvader Adriaan Burgers nog heeft gemaakt.
Wist je dat het juist die oude tekeningen van Adriaan Burgers waren die de Domburgsche Strandvissers van de vorige eeuw allemaal gebruikten als handleiding voor het netten breien? De Kallemijnen? Teune Klitte? Jan van Keulen? Jos van de Berg?
En wist je dat Wim Vreeke, een zestiger, de laatstlevende en de jongste is van een generatie traditionele strandvissers die het breien (en boeten) nog volledig onder de knie heeft?
In zijn boek trekt Wim Vreeke die oude, bijna uitgestorven, cultuur in een bredere context. Het gaat niet slechts over de plaatselijke Domburgse visserij, het gaat over de Zeeuwse traditie. Vissen met een zelfgebreid net aan de Zeeuwse Noordzeekust. Van Sluis tot Renesse. En Wasschappel wordt natuurlijk niet vergeten.
Voor mezelf: Het ouderwetse zo-Walcherse gevoel van een ruim strand en een wijde zee, de oude man en de zee — alleen met een betere afloop -, plus een lekker zeebaarsje voor de pan (bakken in roombeuter!), het komt allemaal terug.
Santiago op het Zeeuwse strand.
144 pagina’s softcover, hou je boekhandel en deze website in de gaten!
Cees Maas
(klik op de foto voor een vergroting)
Popularity: 21% [?]
Popularity: 24% [?]
Toen er nog nachtegalen zongen in de bosrand langs de Badstraat.
En Jantje Koeke met Freule en Ful hun dagelijkse beschouwing op het wereldgebeuren als een gesproken krant zonder letters, gratis en gretig weggaven aan iedereen die maar wilde luisteren.
Het rook er naar seringen en natte bosgrond, op dat hoekje van het romeinse muurtje, dat weet ik nog wel. Lees verder »
Popularity: 23% [?]
Het licht was eigenlijk te geel, gisteravond op de Hoge Hil van Domburg. Dan krijg je snel wat romantisch-achtige sferen op je foto’s en wij zijn te oud van man om nog iets te krijgen van romantiek. Wij zijn soms meer van het koele, zeker op dinsdagavonden in hoogjuli, met allerlei kussende paartjes op de Hoge Hil.
Een fotootje maken van Domburg is niet moeilijk, maar toch ook weer wel. Ik wandelde met Emile door de duindoorn. En hij komt niet al te vaak in het dorp. Ik was dus benieuwd naar zijn indruk, naar hoe hij Domburg zag (of ziet). Hij pakte mijn camera, keek een paar minuten rond en klikte toe eenmaal.
“Alsjeblieft”, zei hij.
Later, in mijn donkere kamer, toen ik de foto zag verschijnen, was ik even versteld.
Emile had alleen de zee en de lucht geschoten. En, als je goed kijkt, de kop van een paalhoofd. In de lucht staan drie vliegtuigstrepen als ijle waaiers. Het was een moment en het is een impressie, maar Emile had hem. Het is Domburg in blauwen. Domburg in Blue. Een tere, serene foto met aangenaam weinig contrast en prettig van compositie. Je kunt er zo een poster van maken en boven je zitbank hangen. Het beeld zal je nooit vervelen, dat is een garantie van De Vrije Domburger.
Maar, kijk zelf maar. En klik op de foto om hem te vergroten.
Domburg zoals je het zelf nooit zag.
(Bij de weg: er is nix aan gephotoshopt)
Popularity: 32% [?]
Van de hele wereld?
Jawel.
Hoewel: misschien. Ik heb niet alle mossels van de hele wereld geproefd. Nog niet. Maar als liefhebber heb ik toch wel een vrachtwagentje of wat van die heerlijke zeevruchten op, gedurende mijn leven. En de Domburgse vind ik altijd de lekkerste. Daarom.
Domburg heeft de beste wilde mossels van de hele wereld.
Popularity: 44% [?]
Uit het archief van Johnny (de zoon van Kees) Jongepier, verzameld door Wim Vreeke.
Met dank. Want hoe zag Domburg er honderd jaar geleden uit?
Hier volgt een selectie van 13 bijzondere foto’s waaruit je je eigen beeld van toen kunt filteren.
Je ziet mannen die allang dood zijn, huizen die niet meer bestaan of juist wel, maar in elke foto, uitgezonderd die van de Gaaischieters, zie je wel ergens de bekende lijnen en vormen van je dorp. Als je hier bent geboren: de foto’s doen ongewoon vertrouwd voor. Een hoek, een duin of een straat. Ook al is het meer dan een eeuw geleden dat het beeld werd gemaakt. Ongewoon vertrouwd zijn ze. Herkenbaar.
Dat is de kracht van het beeld.
En de kracht van je eigen beleving.
Verreweg de meeste foto’s zijn gemaakt in de begindagen van de fotografie.
Aan het eind van de achttiende, begin van de negentiende eeuw. Soms zijn de foto’s ingekleurd, omdat kleurenfotografie toen nog niet bestond.
Het is een bijzondere collectie, dat is het.
Het lijkt wel een dorpje in Frankrijk. Stille mannen, in groepjes, hangen wat rond een dorpsplein. Het is de Markt. Een buikige man met horlogeketting. Pension Bommelje (toen al). En groepen mannen met petten, een enkele boer in dracht. Een foto in sepia van de plek, het hart van het dorp, waar de Noordstraat, de Zuidstraat, de Ooststraat en de Weststraat samenkomen. Kan het simpeler?
Een fraaie toeristenkiek, zou je nu zeggen. Geposeerd, maar het beeld heeft niets vluchtigs. De twee verloren villa’s tegenover de Duinstraat hadden blauwe daken. Tenminste: zo zijn ze ingekleurd.
De foto is gemaakt vanaf de Hoge Hil, die toen Het Plateau heette.Ga er vandaag de dag staan, op dezelfde plek, tuur door je wimpers en je ziet het: zo erg veel is er niet veranderd in de tijd.
Wat verder opvalt: De tweede rij duinstaket voor de rede van het Badpaviljoen. Dat was altijd al een zwakke plek in de zeewering. Ze hebben er een scherm van wilgentenen geplant om verstuiving van het zand tegen te gaan. Het is natuurlijk jammer dat de oude villa’s er niet meer zijn.
Deze foto kende ik wel. Ik ben 55 jaar geleden geboren in die put, schuin tegenover het huisje van Poeter. De foto is genomen van het dak van het Badhotel. De neo-gothische villa op het duin, naast het paviljoen is afgebrand en nooit meer opgebouwd. Wat ook aardig is in dit beeld, is de enorme tegenstelling tussen arm en rijk. De arbeidershuisjes versus de grote villa’s.
Je moet je romantische idee van een schattig dorpje in de duinen onmiddellijk wegsodemieteren, en je afvragen hoe het werkelijk was in dat dorp in die tijd.
Je had er immers drie dominerende culturen. De cultuur van het Zeeuwse platteland met zijn wereldvreemdheid leefde er van oudsher. De doodarme, veelal werkloze landarbeiders en losse werklui, stropers en jutters, de kindersterfte, de ziekten, het alcoholisme. Er was een armenhuis in Domburg, er was een weeshuis en er lagen nog open riolen. Het stonk in de zomer in het dorp.
En je had de cultuur van de rijkste mensen van Europa in die dagen. Met hun grote vakantie-villa’s, hun personeel en hun eigen zeden en moraal. Zij dronken thee uit fijn porcelein en flaneerden onder witte parasolletjes op de boulevard. Ze hielden soiree’s en lieten kaviaar en kreeft aanrukken in het plaatselijke winkeltje van Van Schagen op de hoek van de Badhuisweg.
Dan, als derde cultuur, was er de artistieke cultuur van de schilders, de schrijvers en de dichters. Ze dachten anders en ze keken anders. De meesten, Jan Toorop en Mondriaan in ieder geval, waren niet rijk in die dagen. Ze vonden natuurlijk een markt voor hun werk in de aanwezigheid van de rijken, maar in het begin liep het niet zo. Over Jan Toorop gaat het gerucht dat hij bij tijden uitsluitend leefde op komijnekaas, maar dat kan ook een kwaadaardige roddel zijn. Maar de kunstenaars mengden zich meer in de autochtone bevolking dan de rijken dat deden. Ze moeten ook wel, ze woonden gewoon in het dorp, in oude Domburgse huisjes.
Maar voor de rest bestonden die drie zo verschillende culturen naast elkaar. Samen op het relatief klein opppervlak van een Zeeuws plattelands dorpje. Domburg honderd jaar geleden was een vulkaan die nooit is opengebarsten. En na verloop van tijd verschof de economie. Meer en meer Domburgers vonden emplooi bij of dankzij de rijken. Er kwamen toeristen die weer andere ontwikkelingen toevoegden, de verschillende bouwstijlen in het dorp vergden een speciaal soort onderhoud, vandaar dat de kwaliteit van de Domburgse aannemers en timmerlui tot ver na de Tweede Wereldoorlog befaamd was in Zeeland en daarbuiten. dat zijn van die dingen die je niet op de foto’s ziet, maar eruit kunt afleiden.
Een foto van het tegenwoordige Neghalennia-gbied, genomen vanaf de hoogte van het Strandhotel, naast de Watertoren. Wat weer opvalt is de natuurlijke laagte van de duinput (die vroeger een slufter is geweest) en de aarzelend oprukkende villabouw. Kijk ook even naar de opmerkelijke hoogte van de duintoppen in het westen. Ik ken geen andere foto waarop dat zo in beeld is gebracht.
Achter de Hoge Hil had je dus nog enkele hoge duintoppen. De duinen bij ‘de golf’ zijn dus bijhoorlijk afgevlakt.
niet af————-
Popularity: 47% [?]
Tijd om dit domblog weer eens wat leven in te blazen misschien.
Het is zomer in Domburg.
En druk op ‘t Duuntje.
Het strand wordt genoten, de terrasjes, het zomerlicht.
In Hoogduin geurt de kamperfoelie. En, wist je dat?, in de Eerste Zandpit zit een groene specht.
Wim heeft zijn fuiken nog niet gezet, want het weer was te rommelig. En de paalhoofden, de houten wachters, zijn nagenoeg verdwenen onder alweer een nieuwe zandophoogdrift.
Maar de Gaai wordt geschoten. De Pit ruukt naar kruut. Er liggen zat beelden te wachten. Mijn studie fotografie is bijna klaar en ik heb een nieuwe camera gekocht.
Dus op naar Domburg opnieuw, tussen zoveel andere dingen.
We zien elkaar.
Popularity: 34% [?]
Ze zeiden dat het ongelofelijk goede nummer In A Gadda Da Vida van Iron Butterfly oorspronkelijk In The Garden of Eden heette. En door de bezopen drummer van de groep verkeerd was opgeschreven toen de titel van de song bij de platenmaatschappij moest worden ingeleverd. Ze zeiden ook dat de oude tempel van Nehalennia schuin voor de Hoge Hil een metertje of driehonderd in zee lag. Vervolgens zeiden ze dat Domburg geen oorspronkelijke Bauhaus-architectuur kende. Dat zeiden ze allemaal.
Of dat Bob Dylan in een hotel in Vlissingen had verbleven. Dat de band Canned Heat een keer een concert bij Westhove had gegeven. Dat een Tomos veel degelijker was dan een Puch. Dat laatste geloofde ik wel. Ik had een Puch.
Ze zeiden zoveel over bijzonderheden. En soms kwam je ze gewoon op het duinpad tegen.
In Domburg liep een architect rond. Zijn voornaam heb ik nooit geweten, zijn achternaam was, meen ik, Klopmeijer. Hij woonde aan de duinkant van de Duinstraat en het was een vriendelijke, introverte man. Hij had een boekje bij zich waarin hij tekeningen maakte van bestaande Domburgse gevels. Of eigenlijk: details van die gevels. Een gemetseld hoekje bij een schoorsteen, een deel van een houten betimmering, een bovenkant van een deurkozijn.
Ik zag hem af en toe tekenen in dat boekje. Zo ook op die dag bij het Bosje van Elout. Na een aarzelende groet van mijn kant, mijn nieuwsgierigheid won het van mijn verlegenheid tegenover oudere mensen, liet hij me wat zien. Zijn boekje stond vol met wonderlijke schetsen. Allerlei geveldetails, niet van villa’s of torens of andere machtige gebouwen, maar juist van kleinere huizen. Arbeiderswoningen, kleine kotjes met dakkapelletjes. Ik herkende enkele huisjes. Van de Singel en de Noordstraat. Maar het meeste herkende ik niet.
De architect had een zijkant van een waterput getekend die bij de boerderij van Louwerse op ‘t Groentje moet hebben gestaan.
En een hoek van een huis dat ergens op de Markt heeft gestaan.
“Er liep hier in Domburg een metselaar rond,” zei de architect, “die dingen met zijn stenen maakte die geen aannemer vooraf had getekend. Hij werkte uit de vrije hand. Ik kom zijn werk nog heel veel tegen.“
Hij wees me op een tekening van een sierlijke boog boven een venster in de Herenstraat.
“Dat is zijn werk”, zei de architect.
Ik vroeg wie die eigenzinnige metselaar dan was, misschien was het wel een voorvader van me. Maar de architect wist het niet.
“Daar kom je niet meer achter. Er werkten er hier tientallen in de bouw”, zei hij.
Dus spaarde hij het werk van de onbekende metselaar in zijn boekje. Er zaten duidelijk kenmerken in van belangrijke, in die tijd moderne bouwstijlen, hoorde ik. Die metselaar van toen was dus niet van gisteren. Hij hield van zijn vak en was kunstzinnig.
Een artistieke, maar onbekende metselaar. En een geschoolde architect van wie ik de voornaam niet wist, tekende het werk van die vakman jaren later na in een boekje.
Het kon ook goed zijn dat de architect zich vergiste. Dat die metselaar wel degelijk uitvoerde wat zijn aannemer vooraf had getekend. En dat dus die aannemer de kunstzinnige was. Maar wie? In Domburg werkten ook tal van aannemers vroeger.
En dan: is het belangrijk om precies een naam te weten?
Kan je dan dingen beter duiden?
Ik vond het boekje van die architect veel interessanter. En vraag me vandaag weleens af of dat boekje nog ergens bestaat. Waarschijnlijk niet. Veel van de huisjes met de metseldetails zullen al zijn gesloopt. De boerderij van Saomel Louwerse in elk geval. Het uusje van Ploontje ook. Dorpszicht, idem dito.
Alles van waarde legt het op den duur af. Dat is een zekerheid. De vraag dan is, wat komt er voor in de plaats? En is dat dan ook van zekere waarde? Zal er over vijftien jaar weer een tekenaar over het duinpad slenteren met een boekje vol gemetselde Domburgse hoekjes? Of met iets nieuws uit de tijd dat evenzeer kenmerkend en beeldbepalend is voor Domburg?
Iets waar mensen naar kunnen kijken en plezier aan beleven?
Misschien wel.
Er gebeuren voortdurend dingen die je nooit verwacht. Overal. Hou je oog op mannetjes die schijnbaar achteloos en schijnbaar onverschillig door het dorp scharrelen. Ze kunnen geladen zijn met bijzonderheden.
Popularity: 56% [?]
De Vrije Domburger is een leuke website om te onderhouden. Verhalen over het dorpje Domburg stromen op je af als de golven op het Eerste Oosten.
Maar er is iets met die Vrije Domburger. Hij doet niet aan politiek. Hij doet niet aan winstbejag. Hij doet niet aan links of aan rechts. Niet aan vette roddel noch aan parkeerproblemen. Hij doet zelfs niet aan nieuws!
Maar waar doet die Vrije Domburger dan verdorie wel aan?
Aan Domburg!
Vandaag, ter gelegenheid van het verschijnen van het tachtigste verhaal, drie maanden en dertienduizend, ahum…page views later, een navelstaarderig stukje en extra mijn best doen op schrijven over…
Jawel, over Domburg!
Het was een Domburger die de naam De Vrije Domburger verzonnen heeft. Krijn-Jan Provoost, de zoon van de ringrijder, destijds nog hoofd van het Bureau Water van de provincie Noord-Brabant, begroette de verslaggever long time ago eens met:
’Ha, de vrije Domburger aan de telefoon’.
En het was een andere Domburger die, eveneens long time ago, de naam op zijn eigen manier benadrukte. Dat was Lein Labrujere, de zoon van de banketbakker, destijds nog voorzitter van de Zeeuwse sociaal-democraten. Het ging aan de telefoon over een willekeurig Domburgs verhaal over het dorpje.
Hij zei:
’Ik bewaar alle verhalen over Domburg. Die gaan bij mij in de map Vrije Verhalen’.
De woorden van die twee Domburgers bleven bewaard in het hoofd van de verslaggever.
Maar wat is een vrij verhaal?
Dat onderzoekt De Vrije Domburger al jaren. Zonder nog tot een antwoord te zijn gekomen.
Dat geeft niet, want De Vrije Domburger — een vroeggepensioneerde vijftiger — heeft, naarmate hij ouder wordt, steeds meer vragen en steeds minder antwoorden.
En dat is goed zo.
De gastschrijvers van deze website.
Die slagen er keer op keer in, verhalen te produceren die zelden meningen bevatten, maar bijna altijd observaties. En zich in die zin een bepaalde mate van vrijheid hebben verworven. Al is het maar een observatie van het eigen geheugen. Sommige verhalen zijn journalistieke onderzoeken, zoals het kauriverhaal van Wim Vreeke of het verhaal over Lies Schrier van Jaap Labrujere.
Ubrigens: Mochten er nog nieuwe gastschrijvers zitten tussen de lezers van nu, De Vrije Domburger houdt zich altijd aanbevolen. Mail het verhaal maar door.
Dankuwel.
Maar het vrije verhaal, is dat een verhaal dat de geschiedenis, het heden en de toekomst omspant en dus niet gevangen is in tijd?
Of is het de reportage, het ooggetuigeverslag, de beschrijving, de oral history?
Mijn plan is ooit nog eens een reportage te schrijven over een heel smal straatje in Domburg.
De Hoge Hilweg.
Domburg bestaat voor een deel uit smalle straatjes die ooit ontworpen zijn voor de breedte van een paard-en-wagen.
En het straatje Hoge Hilweg is een heel bijzonder straatje. Het glooit mooi, niet alleen van boven naar benee, maar ook lichtjes van links naar rechts. De huizen daar passen precies in het beeld, het zijn net oude mannetjes. Als je over dat straatje loopt klinkt het zo wonderlijk. Precies zoals zo’n straatje in je gedachten moet klinken. Maar er is veel meer dat bestond en bestaat in de Hoge Hilweg. Veel oude Domburgers hebben er gewoond en sporen nagelaten. Er staat een kunstenaarshuisje waarvan niemand mag weten wie er allemaal op bezoek komen.
Dat is een van de mysteries van de Hoge Hilweg.
Er woont een bestuurslid (de zoon van Ko) van de Domburgse Gaaischieters. De president ( de zoon van Kees) van de Huibregtse Painting Company resideert in de Hoge Hilweg. Juriaan (de zoon van weduwe Klopmeier) en pensionerend baas van Hotel Zomerlust, verblijft in de Hoge Hilweg, en ook Boris (de zoon van Jurie), de man die de Domburgse watertoren (bouwjaar 1933) op zijn arm heeft laten tatoeeren. Die wonen allemaal in dat piepkleine straatje.
En ze wonen er gewoon samen met de geesten van de overledenen. Met Kees Vreeke, Zoetje Stein, Piet Pattenier, bure Maotje en Lange Chris, om er maar eens een paar te duiden. Dat gaat goed. Iedereen daar kent die stamoudsten. Ze zijn er niet meer, maar ze zijn niet vergeten.
De architectuur van het straatje is ook bijzonder en kenmerkend voor Domburg.
Ga er eens kijken.
Ga er eens echt kijken.
Het is een woonstraatje, maar ook een werkstraatje. Veel geveltjes stammen van 1920 of daaromtrent. Jo Vreeke bouwde in de jaren zestig aan de westkant van het straatje enkele ruime appartementsgebouwen die er niet als appartementsgebouwen of zomerhuizen uitzien, maar lichte gevels hebben en balkons, gemaakt in een tijd dat een balkon nog iets betekende.
Die prettige mix van wonen, werken en toerisme, is dat niet symbolisch voor heel Domburg?
Dan is er nog het Padje van Jaones.
Als het er nog is.
In mijn hoofd wel in elk geval.
Dat zijpadje van de Hoge Hilweg.
Eigenlijk alleen over dat padje zou je een verhaal kunnen schrijven.
Maar als je het eens bent met de opvatting dat:
De Hoge Hilweg alles in een kern heeft samengebald wat Domburg heeft.
En dat ‘mijn dorp de wereld is’, zoals Tolstoi ooit stelde.
Dat dus de Hoge Hilweg de wereld is.
De hele wereld.
Ja, dan…
Naar mijn idee zou je een echt vrij verhaal over de glorie van de Hoge Hilweg, een dijk van een reportage, moeten laten maken door een aantal vrije geesten samen te brengen in het epicentrum van het straatje.
In het kunstenaarshuisje naast Chris van Ko.
Dan moet je niet kinderachtig doen, maar het verhaal echt aanpakken.
Dan moet je Domburgse mossels eten en niet een beetje, maar vreselijk dronken worden met bijvoorbeeld:
Stijn Molenkamp, Robbert Jan Swiers en Jan JB Kuipers.
Stijn bedenkt dan gaandeweg de avond de Hoge Hilweg in olieverf, Robbert Jan componeert in zijn hoofd de Hoge Hilweg-blues en op het einde van de bijeenkomst is Jan Kuipers al wel een heel eind met het formuleren van een concluderend gedicht.
Na de sessie gaan de heren per taxi of ambulance terug naar hun respectievelijke werkkamers, het onderwerp verder uitdenken.
Well did you ever wake up with a bull frog on your mind?
Waarna het geheel wordt samengebracht in een spetterende co-productie in reportagevorm.
Zou dat een vrij verhaal zijn?
Misschien.
Het zou een eind in de buurt kunnen komen.
Een groot verhaal maken over een klein straatje.
Misschien zou dat lukken.
{ einde }
Popularity: 100% [?]
In De Soos in Domburg is heel wat afgesoosd. De eerste echte soos was Tarantula. Legendarisch inmiddels. Velen zijn vergeten wie bij de eerste oprichters daarvan hoorde: Ineke de Pagter, onder anderen. Maar Tarantula werd gesloten wegens een overdosis aan… ja aan wat? Aan losbandigheid? Aan liederlijkheid? In de ogen van de brave gemeentebestuurders die niets gewend waren dan. Want in het echt viel het allemaal nogal mee. Later kwam er toch een tweede soos op Domburg. Want echte revolutie gaat nooit dood. Anne Maas was daarbij en blikt terug. Lees verder »
Popularity: 72% [?]
Henk Geertse weet het nog wel.
Wim Murk ook.
Peter Brand en Peter Boogaard, ze waren allemaal van de partij.
De broers Kleinepier, Hans Lok, Ko Passenier.
Je ging met de bus van kwart voor acht naar je middelbare school in Middelburg.
Maar als je een echte Domburger was, ging je met de fiets.
In ijs en wind.
Met ‘de groep’.
Stel je dan ongeveer twintig scholieren voor in de late jaren zestig. Bijna allemaal een Gazelle van Lein Akkerdaas, de non-conformisten op een Sparta of een onbestemd goedkoper Belgisch merk. De groep vertrok huiverend van een hoek op de Markt of bij de oude boerenleenbank van Kees Minderhoud. Een dikke leren schooltas plus regenpak als een dot onder de snelbinders.
Op Middelburg aan.
Another day in Paradise
Zo groot is de afstand niet. Zeg, elf of twaalf kilometers. Misschien een half uur fietsen. Het was meer de onverbiddelijkheid van de route. De volle wreedheid van het platte Walcherse land, met haar snijdende wind, dat de tocht tot een echte tocht maakte. Net uit je bed en met maar een halve boterham pindakaas op, werd je als opgeschoten jongen blootgesteld aan de harde kant van het Nederlandse zeeklimaat. Guur, regenachtig en dan met een heersende wind uit het zuidwesten, van doorgaans niet minder dan vijf beaufort.
Je had dus vrijwel altijd de wind tegen.
In mijn herinnering nu, was het verschrikkelijk. Dat zal wat overdreven zijn, omdat herinneringen verschrikkelijke dingen nog verschrikkelijker maken, maar geloof me: het was geen vrijblijvend toertochtje. Het was een hellevaart. Het was donker en het was nat, het was a hell of a way om de dag te beginnen.
Het dorp Grijpkerke bevond zich op ongeveer de helft van de route. Maar voor je in dat dorp was, had je drie kale rechte stukken te overwinnen. En die lagen niet in een lijn, maar stonden haaks op elkaar. Kale stukken fietspad met hobbelige betontegels, altijd tegenwind, bijna geen boompje te zien. Stukken van ongeveer anderhalve kilometer. Ze liggen er nog, de situatie is in veertig jaar niet wezenlijk veranderd.
Het middelste stuk was het meest gemene.
Dat had, als enige stuk van de hele route, een eigen, unieke naam.
We noemden het ‘het rechte einde’.
Een naam zonder franje, die volslagen recht deed aan wat het was: een lang, recht stuk ellende.
Zelfs nu, wanneer ik er met een auto over ga, denk ik nog altijd: wat een klotestuk weg is dat hier toch.
Zo diep zit dat jeugdtrauma kennelijk ingesleten.
Oordeel zelf. Ga er eens fietsen vandaag de dag, maar dan niet op een zonnige namiddag, maar in februari, om half acht in de ochtend, als de wind je gezicht strak trekt en de kou je handen rimpelt. En dan zo hard als je kan.
Op Middelburg aan.
Want dat maakte de tocht tot een dagelijkse wedstrijd. Dat jongens stoer willen zijn en willen winnen. Dat jongens, als je ze in een groep bij elkaar zet en een fiets geeft plus tegenwind, er ogenblikkelijk een wedstrijd van maken. Dus ging het zo hard mogelijk, met de helden, de jongens die koptrokken, vooraan. Niemand klaagde, niemand weende, niemand bitterde. Maar iedereen zag af. Elke dag weer.
Enkele jaren geleden kreeg ik een emailtje van Hans Lok. Hij schreef zich uit zijn Domburgse periode vooral die fietstochten te herinneren.
’Ik denk dat toen voor een belangrijk deel ons karakter is gevormd,’ schreef hij.
Waarschijnlijk is dat ook zo. Je kwam buiten adem en met zure benen op je Middelburgse school aan. Maar de terugreis was veel meer relaxed. Meestal reed je dan alleen, je bepaalde je eigen tempo en na Grijpskerke zag je de Domburgse watertoren weer wenken. De rechte stukken fietspad leken vriendelijker, temeer daar je de zuidwestenwind dan meestal in je rug had. Je had oog voor de Walcherse iepen onderweg, je jatte eens een appel in de boomgaard bij Grijpskerke. Je zong eens een liedje in jezelf.
’s Ochtend niet. Dan hing je hijgend over je stuur en zag je niet veel meer dan het achterspatbord van de fiets voor je. En je was kinderlijk blij, elke keer weer, als je het kruispunt bij het abattoir van Middelburg opfietste.
Houzee!
Je had het weer gehaald vandaag.
{ einde }
Popularity: 98% [?]