De Vrije Domburger

25.000 bezoekers per jaar
De Vrije Domburger

De FotoKlik van Domburg — aflevering 1

hotels & de laatste oorlog

hotels & de laat­ste oorlog

De fotok­lik is een korte serie foto’s gemaakt tij­dens wan­delin­gen door Dom­burg en omgev­ing. Klik hier om de fotok­lik van 6 novem­ber 2009 te bekijken

Pop­u­lar­ity: 13% [?]

Neukedeunen

Zeeuwen neuken meer dan andere Ned­er­lan­ders. Dat zit er vanoud­sher in. Kom ik ken­nis­maken met mijn nieuwe schoonva­der, een zeer fat­soen­lijke boer uit de Kalfhoek, die op dat moment hoog op de dilt in de schuur staat, ik bek­lim de lad­der en hij zegt bezorgd:
“Neukt’er niet af, hoor.“
Sta ik aan de bar bij mijn stam­cafe Tramzicht, Kojan Geldof vertelt over een vecht­par­tij ergens, dat er vre­selijke klap­pen wer­den uitgedeeld.
Kojan zegt:
“En hij gaf hem toch een neuk”.
Breng ik namens mijn groot­moeder eieren naar de vrouw van de dom­i­nee, laat ik op het achter­padje par­does een ei aan stukken vallen. Ik schrik. De dom­i­neesvrouw ziet het en roept:
“Ach, dat neukt niets, hoor.”

Neuken dus.
Lang voor­dat het in het Alge­meen Ned­er­lands als een smerig woord werd gebruikt, was het in Zee­land een nor­maal en zeer fat­soen­lijk werk­wo­ord en zelf­s­tandig naam­wo­ord. We keken er niet van op. Onze taal zat er vol mee. Het was een volkomen nor­maal woord. Je gebruikte het voor vanalles. Voor een stomp, dus, of voor een val, of gooien, er zijn nog veel meer voor­beelden. Neuken is een typ­isch voor­beeld van een mooi mul­ti­func­tion­eel Zeeuws woord. Pas toen ze in Hol­land er andere din­gen mee gin­gen bedoe­len, din­gen waar wij eigen­lijk geen woord voor had­den en die een fat­soen­lijke Zeeuws nooit hardop zou uit­spreken, is neuken ook in Zee­land een besmet woord ger­aakt. Tot de com­mis­saris van de koningin Wim van Gelder, die net vers in Zee­land ‘s avonds het Zeeuwse woor­den­boek uit zijn hoofd zat te leren, het woord neukede­unen ont­dekte. Toen was de beer los. Van Gelder gebruikte het woord in tal van toe­spraken, deels om aan te geven welk een typ­isch volkje wij zijn, maar ook deels in een poging (dat moet gezegd) om het Zeeuws te pro­moten. Dat een bijna dode taal nooit gepro­moot kan wor­den door een nota­bel, weer­hield de ijverige com­mis­saris er niet van het woord neukede­unen (meestal op lacherige toon) door tal van micro­foons en over pleinen te laten schallen.
Een neukedeun is Zeeuws voor een raar ding. Dat kan vanalles zijn. Een dorp­sjon­gen die zo slordig is dat hij een ei laat vallen op het padje van de dom­i­neesvrouw of een Ams­ter­damse gezant van de koningin die wil laten blijken dat hij zich heeft verdiept in de cul­tuur van het volk dat hij bestiert.
Nie­mand zegt meer neukede­unen tegen­wo­ordig. Omdat het Alge­meen Ned­er­lands er een onfat­soen­lijke klank aan heeft gegeven. Maar veel Zeeuwen denken het nog dagelijks. Want kijk maar om je heen, er zijn nog veel rare din­gen in deze wereld.

Pop­u­lar­ity: 12% [?]

Rudy op de Fender

Fender Stratocaster

Fender Stra­to­caster

Dat was een rare hoek, daar vroeger, die meest noordelijke punt van de Noord­straat. Bin­nen hon­derd meter van elkaar woon­den daar Rudy, Paul en Onno. En dan had je gelijk de drie beste gitaris­ten van het hele dorp te pakken. Tijd­vak: begin jaren zeventig van de vorige eeuw. Het was miss­chien toe­val­lig dat het gitaar­tal­ent in Dom­burg zo op een kluitje zat, maar het was wel zo. De Noord­straat was het Motown van Dom­burg.
Rudy woonde bijna pal achter de duinen, schuin tegen­over Onno en tegen­over Paul. De vader van Paul bestierde Hotel Duin­heuvel, de vader van Onno Hotel Amsterda. Rudy was de oud­ste gitarist van de drie en degene met de meeste ervar­ing.  Van zijn vader, een norse, maar goedaardige man, kreeg hij al op zijn tiende een Spaanse gitaar. Nie­mand in het dorp bezat toen zo’n schit­terend instru­ment. Een maand later al, gaf Rudy een live con­cert op de stoep bij zijn woon­huis. Met de kinderen uit de buurt. Adri­aan en Lies waren er, van dezelfde leeftijd als Rudy, en David en ik, enkele jaren jonger.
Rudy zat op een keuken­stoel, wij op de stoeprand, het con­cert begon. We wis­ten niet wat we hoor­den. Rudy plukte als een razende aan de snaren en dat hij al heel goed was, dat kon je duidelijk horen. Ook al was er nie­mand onder de toe­ho­orders die enig ver­stand had van muziek.
“Dat was Jimi Hen­drix”, zei Rudy na afloop.
“Ja, hij speelt op een Fender en die heb ik natu­urlijk nu nog niet, maar later wel.“
Wij knik­ten vol ontzag. Later, toen we naar huis liepen, vroeg ik Adri­aan wat een Fender dan was. Adri­aan wist het ook niet.

In de jaren daarna ontwikkelde Rudy zich tot een gitarist die meekon met de top van de provin­cie Zee­land. Hij speelde in Mid­del­burg en Vlissin­gen met de leg­en­darische gitaris­ten van de band Drag­on­fly. Hij werd inge­hu­urd als invaller bij een con­cert van Brain­box en gaf nooit meer een live con­cert op de stoep van de Noord­straat. Ik zag hem, jaren later (ik was ongeveer 18) uit de trein stap­pen in Mid­del­burg. Met een gitaarkof­fer op zijn rug. We gin­gen koffie drinken in de restau­ratie en hij vertelde dat hij in Rot­ter­dam net zijn nieuwe gitaar had opge­haald. Rudy opende de kof­fer en haalde er een glanzend witte gitaar uit.
“Een Fender,” zei ik meteen. Ik had een beetje bijgeleerd in de jaren.
Rudy keek ver­baasd en lachte hard.
“Een witte Fender Stra­to­caster met een vinger­bord van rozen­hout, meneer. Voel maar,” zei hij.
“Net als Hen­drix”, zei ik.
“Net als Hen­drix”, zei hij.
En we namen nog een dubbele chocomel.

Of hij dat nog wist, vroeg ik, met zijn eerste gitaar dat con­cert voor buurtkinderen, in de Noord­straat toen hij amper elf was. Hij knikte, maar keek twi­jfe­lend. Hij was al een eindje in de twintig en het was zo lang gele­den. Er waren in het leven van een Dom­burgse topgi­tarist zoveel schaduwen opgelost en zoveel zon­nen opgekomen in die jaren.
Ik vertelde hem hoe het toen ging.
“Dat gaan we vol­gende week meteen over­doen,” zei hij vast­ber­aden, “Als ik deze baby heb inge­speeld, dan komen jul­lie weer en dan swin­gen we de pan uit in die oude Noord­straat.“
Dat was afge­spro­ken.
Maar die vol­gende week was Rudy op reis, en daarna weer, kor­tom, het kwam er niet meer van.
We hebben de pan niet uit­geswon­gen in die oude Noord­straat.
Jam­mer is dat wel.
Niet vaak, maar er zijn momenten dat Rudy met zijn Fender ineens in mijn gedachten schiet. Als een ver­sneld beeld, een vonkje in de lange rij van beelden die je in je leven ergens opslaat. Bij een lauwe zon­son­der­gang over zee, met je rug naar Car­men Sylva. Dicht genoeg bij de kop van Noord­straat om de gelu­iden daar te horen. Star­tende auto’s, dicht­slaande deuren. Dan zie ik vijf kinderen in korte broek en een­tje met een rokje en zwart kroe­shaar op de stoep zit­ten. En Rudy met een spaanse gitaar die breder is dan zijn boven­lichaam.
Het was een gebeurte­nis van niemen­dal. Geen wereld­schokkend feit. Maar 45 jaar later schrijf ik het op. Niet om te bewaren of zo, of zelfs maar in een poging een ver­haaltje te vertellen. Iets doc­u­men­tairs te doen. Oh ja, ik weet het al. Vorige week was er een film­pje op tv over een Fender. En twee dagen daarna wan­delde ik toe­val­lig door de Noord­straat. Die klik­jes waren genoeg om oude beelden aan te laten rukken. Gewoon een stukje schri­jven is dan een vertrouwde, haast automa­tis­che route voor mij. Over die rare hoek hier in de Noord­straat.
Het Motown van Domburg.

Pop­u­lar­ity: 4% [?]

Het oorlogsdagboek van Jaap Komejan

Het oorlogsstrand van Domburg (archief Hugense/Van der Klis)

Het oor­logsstrand van Dom­burg (archief Hugense/Van der Klis)

Kalen­der­jour­nal­istiek, zo noemde de oude kran­ten­co­ryfee Jan Blokker het. Artike­len in de krant schri­jven van­wege het feit dat iets 50 jaar gele­den is gebeurd of 100 jaar of 750 jaar zelfs. Waarom, zo vroeg Blokker zich af (nota bene tij­dens het 100-jarig bestaan van de Ned­er­landse Verenig­ing van Jour­nal­is­ten) is iets belan­grijker als het vijftig jaar gele­den is gebeurd en niet 49 jaar gele­den? Zijn vraag werd natu­urlijk niet beant­wo­ord en van­daag zie je het nog overal in de kran­ten: kalen­der­jour­nal­istiek.
Meestal is het luie jour­nal­istiek.
Het zij zo.
De PZC doet er naar hartelust aan mee. Kijk maar naar de serie over het feit dat in novem­ber Walcheren 65 jaar gele­den werd bevrijd. Over­leven­den wor­den ge-interviewd, de Sloe-dam wordt afgestoft en de paar overge­bleven bunkers van de Atlantik­wall wor­den grondig gefo­tografeerd en gestofzuigd. De grafis­che man van de PZC-redactie heeft een nieuw logo gemaakt voor de nieuwe oude serie en oude ver­slaggev­ers als Ben Jansen, Henk Postma en Jan van Damme schri­jven er nog lezenswaardige stuk­jes over ook. Dat komt nauwelijks door het eigen­lijke onder­w­erp, dat komt vooral omdat die ver­slaggev­ers tamelijk bedreven schri­jvers zijn. Je kunt ze op Tsjer­nobil zetten of op de hon­derd­ste ver­jaardag van Zacharias Louws in Aagtek­erke, er rolt altijd wel een grin­nikend stukje uit.
Maar goed.
De meeste inval­shoeken voor dit jour­nal­istieke project zijn weinig cre­atief en voor­spel­baar. Zo als ook de werkza­amhe­den van de her en der op Walcheren opgerichte plaat­selijke comi­tees waarin nota­bele vri­jwilligers, onder het nobele motto Opdat Wij Niet Ver­geten, programma’s opzetten met krans­leg­gin­gen en lezin­gen en what the duck meer.
Er zijn echter wel wat echte nieuwighe­den te beleven voor de kran­ten­lez­ers en de oor­logshis­torici. Vooral voor de inwon­ers van Dom­burg en Biggek­erke (Beekeu) en omgev­ing. Want het weinig bek­ende oor­logs­dag­boek van Jaap Kome­jan komt in de krant. PZC-verslaggever Henk Postma heeft in het hart van Dom­burg de hand weten te leggen op een getypt exem­plaar van de belevenis­sen van een jonge Jaap Kome­jan gedurende de tien dagen dat de noor­west­kant van het eiland werd bevrijd. Het staat er alle­maal in heldere taal en scherpe obser­vaties. Jaap Kome­jan was een jour­nal­ist avant la let­tre. Voor velen in Walcheren zal dit aardige leeskost zijn. En in zekere zin ook nieuws. Nieuwsachtig, moet je eigen­lijk zeggen.
Henk Postma (bij­naam in selec­tieve kring: De Meester) is het type jour­nal­ist dat zulks weet te waarderen en te ver­talen in een zorgvuldig opgezet ver­haal. Miss­chien zoekt hij er nog wat mooie zwartwitfoto’s bij, bij de Dom­burgse Nelleke Maas van het Zeeuws Doc­u­men­tatiecen­trum, en miss­chien maakt hij er wel een hele zater­dag­pag­ina van.
Wat er pre­cies uitkomt is echter niet zeker, want Henk Postma is een zoge­naamde Vrije Geest en dat zijn geesten die zich zelden laten dicteren.
Maar er komt een ver­haal.
De Vrije Dom­burger heeft de pest aan kalen­der­jour­nal­istiek, maar daar kijkt hij toch wel naar uit. Raar: Om over mezelf in de derde per­soon te schri­jven.
Dus hou die krant in de gaten. Het is onbek­end wan­neer de PZC pub­liceert, maar het zit in de pij­plijn. Naar ver­lu­idt is Henk Postma, met het dag­boek ste­vig onder zijn arm gek­lemd, grom­mend van tevre­den­heid uit Dom­burg vertrokken.

Pop­u­lar­ity: 5% [?]

Boek van Wim Vreeke komt eraan!

Het boek van de Dom­burger Wim Vreeke over de tra­di­tionele Zeeuwse strand­vis­serij komt eraan. Naar verwacht­ing ligt het in novem­ber 2009 in de Zeeuwse boekhan­dels. De uit­gever is de bek­ende uit­gev­erij Den Boer/De Ruiter uit Vlissin­gen. Kijk verder voor een snelle preview.

Domburgsche Strandvisser

Dom­burgsche Strandvisser

Is dat een sto­ere foto of niet?
Cool.
Een Sil-de-strandjutter-achtige sfeer, vind je niet?
De naam van deze blonde held houden we nog even geheim. Het is een voor­beeld van het fotow­erk in het boek. De fotograaf is Matty van Keulen. De water­toren is voor de gele­gen­heid inge­hu­urd om als achter­grond te dienen. Hij was niet duur en stond mooi stil, naar ver­lu­idt.
Maar zon­der flauwekul: Het boek — Vis­sen met zelfge­breide net­ten op het strand. Dat is het. Zoals Job de schoen­maker en Bram de Pagter het deden. Op de oud­er­wetse manier een ‘fuke’ breien, een gar­nalenkor of een sleep­net.
En dan gaan vis­sen, op een mooie sep­tem­ber­avond in de stille zee. Ter­wijl de noc­tiluca dia­man­t­jes strooit. Weet je nog hoe dat moet? Natu­urlijk niet, dat handw­erk is bijna uit­gestor­ven. Wim Vreeke legt alles uit en heeft de tech­nieken in zijn boek verza­meld. Aan de hand van oude werk­tekenin­gen die zijn groot­vader Adri­aan Burg­ers nog heeft gemaakt.
Wist je dat het juist die oude tekenin­gen van Adri­aan Burg­ers waren die de Dom­burgsche Strand­vis­sers van de vorige eeuw alle­maal gebruik­ten als han­dlei­d­ing voor het net­ten breien? De Kallemi­j­nen? Teune Klitte? Jan van Keulen? Jos van de Berg?
En wist je dat Wim Vreeke, een zes­tiger, de laat­stlevende en de jong­ste is van een gen­er­atie tra­di­tionele strand­vis­sers die het breien (en boeten) nog volledig onder de knie heeft?
In zijn boek trekt Wim Vreeke die oude, bijna uit­gestor­ven, cul­tuur in een bredere con­text. Het gaat niet slechts over de plaat­selijke Dom­burgse vis­serij, het gaat over de Zeeuwse tra­di­tie. Vis­sen met een zelfge­breid net aan de Zeeuwse Noordzeekust. Van Sluis tot Renesse. En Wass­chap­pel wordt natu­urlijk niet ver­geten.
Voor mezelf: Het oud­er­wetse zo-Walcherse gevoel van een ruim strand en een wijde zee, de oude man en de zee — alleen met een betere afloop -, plus een lekker zee­baarsje voor de pan (bakken in roombeuter!), het komt alle­maal terug.
San­ti­ago op het Zeeuwse strand.
144 pagina’s soft­cover, hou je boekhan­del en deze web­site in de gaten!

Cees Maas
(klik op de foto voor een vergroting)

Pop­u­lar­ity: 21% [?]

De gelukkige mosselvisser

The Happy Clam Fisher

The Happy Clam Fisher

Mar­tin is tevre­den. Hij glim­lacht. Zijn mos­sel­net zit vol zwart goud en dat hijzelf koud en door­nat is, is straks, achter een damp­ende pan Dom­burgs Glo­rie en een goed glas witte Elzas, zo ver­geten.
We beschreven het al eerder in een stukje op deze web­site: geen mos­sel zo goed als de Dom­burgsche Mos­sel. Van­daar dat Mar­tin gerust kopje onder gaat om de schelpen van de paal­hoof­den te plukken. Let op zijn spe­ciale mos­sel­net. Dat is een handig ding. Gewoon een oranje red­dings­boei, waaraan Wim Vreeke een net heeft gebreid. Aan de boei zit een lijn­tje, zodat je het als dri­jvend geheel aan de palen kunt knopen. Zo heb je je han­den vrij om te plukken en kan je heel diep gaan, wat vaak nodig is.
Een hal­fuur plukken lev­ert je een god­delijk maal op voor pak­weg drie hon­gerige gezin­nen. Je moet ze wel lus­ten natu­urlijk, de mos­sels. Maar dat doet Mar­tin wel. Hij is er mee groot­ge­bracht. Mocht je een inter­na­tion­aal onder­schrift onder deze foto (klik erop voor ver­grot­ing) willen maken, dan zou je hem The Happy Clam Fisher kun­nen noemen.

Pop­u­lar­ity: 24% [?]

Mars van ‘t padje!

Toen er nog nachte­galen zon­gen in de bosrand langs de Bad­straat.
En Jan­tje Koeke met Freule en Ful hun dagelijkse beschouwing op het wereldge­beuren als een gespro­ken krant zon­der let­ters, gratis en gretig weg­gaven aan iedereen die maar wilde luis­teren.
Het rook er naar serin­gen en natte bosgrond, op dat hoekje van het romeinse muurtje, dat weet ik nog wel. Lees verder »

Pop­u­lar­ity: 23% [?]

Domburg in Blue

Het licht was eigen­lijk te geel, gis­ter­avond op de Hoge Hil van Dom­burg. Dan krijg je snel wat romantisch-achtige sferen op je foto’s en wij zijn te oud van man om nog iets te kri­j­gen van romantiek. Wij zijn soms meer van het koele, zeker op dins­da­gavon­den in hoogjuli, met aller­lei kussende paart­jes op de Hoge Hil.
Een fotootje maken van Dom­burg is niet moeil­ijk, maar toch ook weer wel. Ik wan­delde met Emile door de duin­doorn. En hij komt niet al te vaak in het dorp. Ik was dus benieuwd naar zijn indruk, naar hoe hij Dom­burg zag (of ziet). Hij pakte mijn cam­era, keek een paar minuten rond en klikte toe een­maal.
“Alsje­blieft”, zei hij.

Later, in mijn donkere kamer, toen ik de foto zag ver­schi­j­nen, was ik even ver­steld.
Emile had alleen de zee en de lucht geschoten. En, als je goed kijkt, de kop van een paal­hoofd. In de lucht staan drie vlieg­tu­igstrepen als ijle waaiers. Het was een moment en het is een impressie, maar Emile had hem. Het is Dom­burg in blauwen. Dom­burg in Blue. Een tere, serene foto met aan­ge­naam weinig con­trast en pret­tig van com­posi­tie. Je kunt er zo een poster van maken en boven je zit­bank hangen. Het beeld zal je nooit verve­len, dat is een garantie van De Vrije Dom­burger.
Maar, kijk zelf maar. En klik op de foto om hem te ver­groten.
Dom­burg zoals je het zelf nooit zag.
(Bij de weg: er is nix aan gephotoshopt)

Domburg in Blue

Dom­burg in Blue

Pop­u­lar­ity: 32% [?]

De beste mossels van de hele wereld.

Van de hele wereld?
Jawel.
Hoewel: miss­chien. Ik heb niet alle mos­sels van de hele wereld geproefd. Nog niet. Maar als liefheb­ber heb ik toch wel een vracht­wa­gen­tje of wat van die heer­lijke zeevruchten op, gedurende mijn leven. En de Dom­burgse vind ik altijd de lekker­ste. Daarom.  
Dom­burg heeft de beste wilde mos­sels van de hele wereld.

Lees verder »

Pop­u­lar­ity: 44% [?]

Domburg in oude photographien.

Uit het archief van Johnny (de zoon van Kees) Jongepier, verza­meld door Wim Vreeke.
Met dank. Want hoe zag Dom­burg er hon­derd jaar gele­den uit?
Hier volgt een selec­tie van 13 bij­zon­dere foto’s waaruit je je eigen beeld van toen kunt filteren.

Je ziet man­nen die allang dood zijn, huizen die niet meer bestaan of juist wel, maar in elke foto, uit­ge­zon­derd die van de Gaais­chi­eters, zie je wel ergens de bek­ende lij­nen en vor­men van je dorp. Als je hier bent geboren: de foto’s doen onge­woon vertrouwd voor. Een hoek, een duin of een straat. Ook al is het meer dan een eeuw gele­den dat het beeld werd gemaakt. Onge­woon vertrouwd zijn ze. Herkenbaar.
Dat is de kracht van het beeld.
En de kracht van je eigen beleving.

Ver­reweg de meeste foto’s zijn gemaakt in de beginda­gen van de fotografie.
Aan het eind van de acht­tiende, begin van de negen­tiende eeuw. Soms zijn de foto’s ingek­leurd, omdat kleuren­fo­tografie toen nog niet bestond.
Het is een bij­zon­dere col­lec­tie, dat is het.

Domburg honderd jaar geleden - foto 13
Dom­burg hon­derd jaar gele­den — foto 13

Het lijkt wel een dor­pje in Frankrijk. Stille man­nen, in groep­jes, hangen wat rond een dorp­splein. Het is de Markt. Een buikige man met hor­logeket­ting. Pen­sion Bom­melje (toen al). En groepen man­nen met pet­ten, een enkele boer in dracht. Een foto in sepia van de plek, het hart van het dorp, waar de Noord­straat, de Zuid­straat, de Oost­straat en de West­straat samenkomen. Kan het simpeler?

 

Domburg honderd jaar geleden - foto 12

Dom­burg hon­derd jaar gele­den — foto 12

Een fraaie toeris­tenkiek, zou je nu zeggen. Geposeerd, maar het beeld heeft niets vluchtigs. De twee ver­loren villa’s tegen­over de Duin­straat had­den blauwe daken. Ten­min­ste: zo zijn ze ingekleurd.

De foto is gemaakt vanaf de Hoge Hil, die toen Het Plateau heette.Ga er van­daag de dag staan, op dezelfde plek, tuur door je wim­pers en je ziet het: zo erg veel is er niet veran­derd in de tijd.

Wat verder opvalt: De tweede rij duin­staket voor de rede van het Bad­paviljoen. Dat was altijd al een zwakke plek in de zeew­er­ing. Ze hebben er een scherm van wilgen­te­nen geplant om ver­s­tu­iv­ing van het zand tegen te gaan. Het is natu­urlijk jam­mer dat de oude villa’s er niet meer zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Domburg honderd jaar geleden - foto 11

Dom­burg hon­derd jaar gele­den — foto 11

 

 Deze foto kende ik wel. Ik ben 55 jaar gele­den geboren in die put, schuin tegen­over het huisje van Poeter. De foto is genomen van het dak van het Bad­ho­tel. De neo-gothische villa op het duin, naast het paviljoen is afge­brand en nooit meer opgebouwd. Wat ook aardig is in dit beeld, is de enorme tegen­stelling tussen arm en rijk. De arbei­der­shuis­jes ver­sus de grote villa’s. 

Je moet je roman­tis­che idee van een schat­tig dor­pje in de duinen onmid­del­lijk weg­sodemieteren, en je afvra­gen hoe het werke­lijk was in dat dorp in die tijd.

Je had er immers drie dominerende cul­turen. De cul­tuur van het Zeeuwse plat­te­land met zijn wereld­vreemd­heid leefde er van oudsher. De doo­darme, vee­lal werk­loze lan­dar­bei­ders en losse werk­lui, strop­ers en jut­ters, de kinder­sterfte, de ziek­ten, het alco­holisme. Er was een armen­huis in Dom­burg, er was een weeshuis en er lagen nog open riolen. Het stonk in de zomer in het dorp.

En je had de cul­tuur van de rijk­ste mensen van Europa in die dagen. Met hun grote vakantie-villa’s, hun per­son­eel en hun eigen zeden en moraal. Zij dronken thee uit fijn porcelein en fla­neer­den onder witte para­sol­let­jes op de boule­vard. Ze hielden soiree’s en lieten kavi­aar en kreeft aan­rukken in het plaat­selijke winkeltje van Van Scha­gen op de hoek van de Badhuisweg.

Dan, als derde cul­tuur, was er de artistieke cul­tuur van de schilders, de schri­jvers en de dichters. Ze dachten anders en ze keken anders. De meesten, Jan Toorop en Mon­dri­aan in ieder geval, waren niet rijk in die dagen. Ze von­den natu­urlijk een markt voor hun werk in de aan­wezigheid van de rijken, maar in het begin liep het niet zo. Over Jan Toorop gaat het gerucht dat hij bij tij­den uit­slui­tend leefde op komi­jnekaas, maar dat kan ook een kwaadaardige rod­del zijn. Maar de kun­ste­naars meng­den zich meer in de autochtone bevolk­ing dan de rijken dat deden. Ze moeten ook wel, ze woon­den gewoon in het dorp, in oude Dom­burgse huisjes.

Maar voor de rest beston­den die drie zo ver­schil­lende cul­turen naast elkaar. Samen op het relatief klein opp­per­vlak van een Zeeuws plat­te­lands dorpje. Domburg hon­derd jaar gele­den was een vulkaan die nooit is opengebarsten. En na ver­loop van tijd ver­schof de economie. Meer en meer Dom­burg­ers von­den emplooi bij of dankzij de rijken. Er kwa­men toeris­ten die weer andere ontwik­kelin­gen toevoeg­den, de ver­schil­lende bouw­sti­jlen in het dorp vergden een spe­ci­aal soort onder­houd, van­daar dat de kwaliteit van de Dom­burgse aan­nemers en tim­mer­lui tot ver na de Tweede Werel­door­log befaamd was in Zee­land en daar­buiten. dat zijn van die din­gen die je niet op de foto’s ziet, maar eruit kunt afleiden.

domburg-oude-fotos-010 

Een foto van het tegen­wo­ordige Neghalennia-gbied, genomen vanaf de hoogte van het Strand­ho­tel, naast de Water­toren. Wat weer opvalt is de natu­urlijke laagte van de duin­put (die vroeger een slufter is geweest) en de aarze­lend oprukkende vil­l­abouw. Kijk ook even naar de opmerke­lijke hoogte van de duin­top­pen in het westen. Ik ken geen andere foto waarop dat zo in beeld is gebracht.

Achter de Hoge Hil had je dus nog enkele hoge duin­top­pen. De duinen bij ‘de golf’ zijn dus bijhoor­lijk afgevlakt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

niet af————-

Pop­u­lar­ity: 47% [?]

Op naar Domburg opnieuw

Tijd om dit domblog weer eens wat leven in te blazen miss­chien.
Het is zomer in Dom­burg.
En druk op ‘t Duun­tje.
Het strand wordt genoten, de ter­ras­jes, het zomer­licht.
In Hoog­duin geurt de kam­per­foelie. En, wist je dat?, in de Eerste Zand­pit zit een groene specht.
Wim heeft zijn fuiken nog niet gezet, want het weer was te rom­melig. En de paal­hoof­den, de houten wachters, zijn nage­noeg verd­we­nen onder alweer een nieuwe zan­dophoog­drift.
Maar de Gaai wordt geschoten. De Pit ruukt naar kruut. Er liggen zat beelden te wachten. Mijn studie fotografie is bijna klaar en ik heb een nieuwe cam­era gekocht.
Dus op naar Dom­burg opnieuw, tussen zoveel andere din­gen.
We zien elkaar.

Pop­u­lar­ity: 34% [?]

Een boekje met bakstenen

Ze zei­den dat het ongelofe­lijk goede num­mer In A Gadda Da Vida van Iron But­ter­fly oor­spronke­lijk In The Gar­den of Eden heette. En door de bezopen drum­mer van de groep ver­keerd was opgeschreven toen de titel van de song bij de platen­maatschap­pij moest wor­den ingeleverd. Ze zei­den ook dat de oude tem­pel van Nehalen­nia schuin voor de Hoge Hil een metertje of driehon­derd in zee lag. Ver­vol­gens zei­den ze dat Dom­burg geen oor­spronke­lijke Bauhaus-architectuur kende. Dat zei­den ze allemaal.

Of dat Bob Dylan in een hotel in Vlissin­gen had verbleven. Dat de band Canned Heat een keer een con­cert bij West­hove had gegeven. Dat een Tomos veel degelijker was dan een Puch. Dat laat­ste geloofde ik wel. Ik had een Puch.
Ze zei­den zoveel over bij­zon­der­he­den. En soms kwam je ze gewoon op het duin­pad tegen.
In Dom­burg liep een archi­tect rond. Zijn voor­naam heb ik nooit geweten, zijn achter­naam was, meen ik, Klop­mei­jer. Hij woonde aan de duinkant van de Duin­straat en het was een vrien­delijke, intro­verte man. Hij had een boekje bij zich waarin hij tekenin­gen maakte van bestaande Dom­burgse gevels. Of eigen­lijk: details van die gevels. Een gemet­seld hoekje bij een schoorsteen, een deel van een houten betim­mer­ing, een bovenkant van een deurkoz­ijn.
Ik zag hem af en toe teke­nen in dat boekje. Zo ook op die dag bij het Bosje van Elout. Na een aarze­lende groet van mijn kant, mijn nieuws­gierigheid won het van mijn ver­legen­heid tegen­over oud­ere mensen, liet hij me wat zien. Zijn boekje stond vol met won­der­lijke schet­sen. Aller­lei gevelde­tails, niet van villa’s of torens of andere machtige gebouwen, maar juist van kleinere huizen. Arbei­der­swonin­gen, kleine kot­jes met dakkapel­let­jes. Ik herk­ende enkele huis­jes. Van de Sin­gel en de Noord­straat. Maar het meeste herk­ende ik niet.
De archi­tect had een zijkant van een water­put getek­end die bij de boerderij van Louw­erse op ‘t Groen­tje moet hebben ges­taan.
En een hoek van een huis dat ergens op de Markt heeft gestaan.

Er liep hier in Dom­burg een met­se­laar rond,” zei de archi­tect, “die din­gen met zijn ste­nen maakte die geen aan­nemer vooraf had getek­end. Hij werkte uit de vrije hand. Ik kom zijn werk nog heel veel tegen.“
Hij wees me op een teken­ing van een sier­lijke boog boven een ven­ster in de Heren­straat.
“Dat is zijn werk”, zei de archi­tect.
Ik vroeg wie die eigen­zin­nige met­se­laar dan was, miss­chien was het wel een voor­vader van me. Maar de archi­tect wist het niet.
“Daar kom je niet meer achter. Er werk­ten er hier tien­tallen in de bouw”, zei hij.

Dus spaarde hij het werk van de onbek­ende met­se­laar in zijn boekje. Er zaten duidelijk ken­merken in van belan­grijke, in die tijd mod­erne bouw­sti­jlen, hoorde ik. Die met­se­laar van toen was dus niet van gis­teren. Hij hield van zijn vak en was kun­stzin­nig.
Een artistieke, maar onbek­ende met­se­laar. En een geschoolde archi­tect van wie ik de voor­naam niet wist, tek­ende het werk van die vak­man jaren later na in een boekje.
Het kon ook goed zijn dat de archi­tect zich ver­giste. Dat die met­se­laar wel degelijk uitvo­erde wat zijn aan­nemer vooraf had getek­end. En dat dus die aan­nemer de kun­stzin­nige was. Maar wie? In Dom­burg werk­ten ook tal van aan­nemers vroeger.
En dan: is het belan­grijk om pre­cies een naam te weten?
Kan je dan din­gen beter duiden?
Ik vond het boekje van die archi­tect veel inter­es­san­ter. En vraag me van­daag weleens af of dat boekje nog ergens bestaat. Waarschi­jn­lijk niet. Veel van de huis­jes met de met­selde­tails zullen al zijn ges­loopt. De boerderij van Saomel Louw­erse in elk geval. Het uusje van Ploon­tje ook. Dorp­szicht, idem dito.

Alles van waarde legt het op den duur af. Dat is een zek­er­heid. De vraag dan is, wat komt er voor in de plaats? En is dat dan ook van zekere waarde? Zal er over vijf­tien jaar weer een teke­naar over het duin­pad slen­teren met een boekje vol gemet­selde Dom­burgse hoek­jes? Of met iets nieuws uit de tijd dat even­zeer ken­merk­end en beeld­bepal­end is voor Dom­burg?
Iets waar mensen naar kun­nen kijken en plezier aan beleven?
Miss­chien wel.
Er gebeuren voort­durend din­gen die je nooit verwacht. Overal. Hou je oog op man­net­jes die schi­jn­baar achteloos en schi­jn­baar onver­schillig door het dorp schar­re­len. Ze kun­nen geladen zijn met bijzonderheden.

Pop­u­lar­ity: 56% [?]

De vrije verhalen van Domburg

De Vrije Dom­burger is een leuke web­site om te onder­houden. Ver­halen over het dor­pje Dom­burg stromen op je af als de gol­ven op het Eerste Oosten.
Maar er is iets met die Vrije Dom­burger. Hij doet niet aan poli­tiek. Hij doet niet aan win­st­be­jag. Hij doet niet aan links of aan rechts. Niet aan vette rod­del noch aan par­keer­prob­le­men. Hij doet zelfs niet aan nieuws!
Maar waar doet die Vrije Dom­burger dan ver­dorie wel aan?
Aan Dom­burg!
Van­daag, ter gele­gen­heid van het ver­schi­j­nen van het tachtig­ste ver­haal, drie maan­den en der­tien­duizend, ahum…page views later, een navel­staarderig stukje en extra mijn best doen op schri­jven over…
Jawel, over Domburg!

Het was een Dom­burger die de naam De Vrije Dom­burger ver­zon­nen heeft. Krijn-Jan Provoost, de zoon van de ringri­jder, des­ti­jds nog hoofd van het Bureau Water van de provin­cie Noord-Brabant, begroette de ver­slaggever long time ago eens met:
’Ha, de vrije Dom­burger aan de tele­foon’.
En het was een andere Dom­burger die, eve­neens long time ago, de naam op zijn eigen manier benadrukte. Dat was Lein Labru­jere, de zoon van de ban­ket­bakker, des­ti­jds nog voorzit­ter van de Zeeuwse sociaal-democraten. Het ging aan de tele­foon over een willekeurig Dom­burgs ver­haal over het dor­pje.
Hij zei:
’Ik bewaar alle ver­halen over Dom­burg. Die gaan bij mij in de map Vrije Ver­halen’.
De woor­den van die twee Dom­burg­ers bleven bewaard in het hoofd van de verslaggever.

Maar wat is een vrij ver­haal?
Dat onder­zoekt De Vrije Dom­burger al jaren. Zon­der nog tot een antwo­ord te zijn gekomen.
Dat geeft niet, want De Vrije Dom­burger — een vroeggepen­sioneerde vijftiger — heeft, naar­mate hij ouder wordt, steeds meer vra­gen en steeds min­der antwo­or­den.
En dat is goed zo.

De gastschri­jvers van deze web­site.
Die sla­gen er keer op keer in, ver­halen te pro­duc­eren die zelden menin­gen bevat­ten, maar bijna altijd obser­vaties. En zich in die zin een bepaalde mate van vri­jheid hebben ver­wor­ven. Al is het maar een obser­vatie van het eigen geheugen. Som­mige ver­halen zijn jour­nal­istieke onder­zoeken, zoals het kau­river­haal van Wim Vreeke of het ver­haal over Lies Schrier van Jaap Labrujere.

Ubri­gens: Mochten er nog nieuwe gastschri­jvers zit­ten tussen de lez­ers van nu, De Vrije Dom­burger houdt zich altijd aan­bev­olen. Mail het ver­haal maar door.
Dankuwel.

Maar het vrije ver­haal, is dat een ver­haal dat de geschiede­nis, het heden en de toekomst omspant en dus niet gevan­gen is in tijd?
Of is het de reportage, het oogge­tu­igev­er­slag, de beschri­jv­ing, de oral his­tory?

Mijn plan is ooit nog eens een reportage te schri­jven over een heel smal straatje in Dom­burg.
De Hoge Hilweg.
Dom­burg bestaat voor een deel uit smalle straat­jes die ooit ont­wor­pen zijn voor de breedte van een paard-en-wagen.
En het straatje Hoge Hilweg is een heel bij­zon­der straatje. Het glooit mooi, niet alleen van boven naar benee, maar ook licht­jes van links naar rechts. De huizen daar passen pre­cies in het beeld, het zijn net oude man­net­jes. Als je over dat straatje loopt klinkt het zo won­der­lijk. Pre­cies zoals zo’n straatje in je gedachten moet klinken. Maar er is veel meer dat bestond en bestaat in de Hoge Hilweg. Veel oude Dom­burg­ers hebben er gewoond en sporen nage­laten. Er staat een kun­ste­naarshuisje waar­van nie­mand mag weten wie er alle­maal op bezoek komen.
Dat is een van de mys­ter­ies van de Hoge Hilweg.

Er woont een bestu­urslid (de zoon van Ko) van de Dom­burgse Gaais­chi­eters. De pres­i­dent ( de zoon van Kees) van de Huibregtse Paint­ing Com­pany resideert in de Hoge Hilweg. Juri­aan (de zoon van weduwe Klop­meier) en pen­sionerend baas van Hotel Zomer­lust, verbli­jft in de Hoge Hilweg, en ook Boris (de zoon van Jurie), de man die de Dom­burgse water­toren (bouw­jaar 1933) op zijn arm heeft laten tatoeeren. Die wonen alle­maal in dat piep­kleine straatje.

En ze wonen er gewoon samen met de geesten van de overlede­nen. Met Kees Vreeke, Zoetje Stein, Piet Pat­te­nier, bure Maotje en Lange Chris, om er maar eens een paar te duiden. Dat gaat goed. Iedereen daar kent die sta­moud­sten. Ze zijn er niet meer, maar ze zijn niet vergeten.

De archi­tec­tuur van het straatje is ook bij­zon­der en ken­merk­end voor Dom­burg.
Ga er eens kijken.
Ga er eens echt kijken.
Het is een woon­straatje, maar ook een werk­straatje. Veel gevelt­jes stam­men van 1920 of daaromtrent. Jo Vreeke bouwde in de jaren zes­tig aan de west­kant van het straatje enkele ruime apparte­ments­ge­bouwen die er niet als apparte­ments­ge­bouwen of zomer­huizen uitzien, maar lichte gevels hebben en balkons, gemaakt in een tijd dat een balkon nog iets betek­ende.
Die pret­tige mix van wonen, werken en toerisme, is dat niet sym­bol­isch voor heel Domburg?

Dan is er nog het Padje van Jaones.
Als het er nog is.
In mijn hoofd wel in elk geval.
Dat zij­padje van de Hoge Hilweg.
Eigen­lijk alleen over dat padje zou je een ver­haal kun­nen schrijven.

Maar als je het eens bent met de opvat­ting dat:
De Hoge Hilweg alles in een kern heeft samenge­bald wat Dom­burg heeft.
En dat ‘mijn dorp de wereld is’, zoals Tol­stoi ooit stelde.
Dat dus de Hoge Hilweg de wereld is.
De hele wereld.
Ja, dan…

Naar mijn idee zou je een echt vrij ver­haal over de glo­rie van de Hoge Hilweg, een dijk van een reportage, moeten laten maken door een aan­tal vrije geesten samen te bren­gen in het epi­cen­trum van het straatje.
In het kun­ste­naarshuisje naast Chris van Ko.
Dan moet je niet kinder­achtig doen, maar het ver­haal echt aan­pakken.
Dan moet je Dom­burgse mos­sels eten en niet een beetje, maar vre­selijk dronken wor­den met bijvoor­beeld:
Stijn Molenkamp, Rob­bert Jan Swiers en Jan JB Kuipers.

Stijn bedenkt dan gaan­deweg de avond de Hoge Hilweg in oliev­erf, Rob­bert Jan com­poneert in zijn hoofd de Hoge Hilweg-blues en op het einde van de bijeenkomst is Jan Kuipers al wel een heel eind met het for­muleren van een con­clud­erend gedicht.
Na de sessie gaan de heren per taxi of ambu­lance terug naar hun respec­tievelijke werkkamers, het onder­w­erp verder uitdenken.

Well did you ever wake up with a bull frog on your mind?
Waarna het geheel wordt samenge­bracht in een spet­terende co-productie in reportagevorm.

Zou dat een vrij ver­haal zijn?
Miss­chien.
Het zou een eind in de buurt kun­nen komen.
Een groot ver­haal maken over een klein straatje.
Miss­chien zou dat lukken.

{ einde }

Pop­u­lar­ity: 100% [?]

De Soos

In De Soos in Dom­burg is heel wat afge­soosd. De eerste echte soos was Taran­tula. Leg­en­darisch inmid­dels. Velen zijn ver­geten wie bij de eerste oprichters daar­van hoorde: Ineke de Pagter, onder anderen. Maar Taran­tula werd ges­loten wegens een over­do­sis aan… ja aan wat? Aan los­bandigheid? Aan lieder­lijkheid? In de ogen van de brave gemeen­tebestu­ur­ders die niets gewend waren dan. Want in het echt viel het alle­maal nogal mee. Later kwam er toch een tweede soos op Dom­burg. Want echte rev­o­lu­tie gaat nooit dood. Anne Maas was daar­bij en blikt terug. Lees verder »

Pop­u­lar­ity: 72% [?]

Op de fiets naar Middelburg

Henk Geertse weet het nog wel.
Wim Murk ook.
Peter Brand en Peter Boogaard, ze waren alle­maal van de par­tij.
De broers Kleinepier, Hans Lok, Ko Passenier.

Je ging met de bus van kwart voor acht naar je mid­del­bare school in Mid­del­burg.
Maar als je een echte Dom­burger was, ging je met de fiets.
In ijs en wind.
Met ‘de groep’.

Stel je dan ongeveer twintig scholieren voor in de late jaren zes­tig. Bijna alle­maal een Gazelle van Lein Akker­daas, de non-conformisten op een Sparta of een onbestemd goed­koper Bel­gisch merk. De groep vertrok huiv­erend van een hoek op de Markt of bij de oude boeren­leen­bank van Kees Min­der­houd. Een dikke leren schooltas plus regen­pak als een dot onder de snel­binders.
Op Mid­del­burg aan.
Another day in Paradise

Zo groot is de afs­tand niet. Zeg, elf of twaalf kilo­me­ters. Miss­chien een half uur fiet­sen. Het was meer de onver­bid­delijkheid van de route. De volle wreed­heid van het platte Walch­erse land, met haar sni­j­dende wind, dat de tocht tot een echte tocht maakte. Net uit je bed en met maar een halve boter­ham pin­dakaas op, werd je als opgeschoten jon­gen bloot­gesteld aan de harde kant van het Ned­er­landse zeek­li­maat. Guur, rege­nachtig en dan met een heersende wind uit het zuid­westen, van door­gaans niet min­der dan vijf beau­fort.
Je had dus vri­jwel altijd de wind tegen.

In mijn herin­ner­ing nu, was het ver­schrikke­lijk. Dat zal wat over­dreven zijn, omdat herin­ner­in­gen ver­schrikke­lijke din­gen nog ver­schrikke­lijker maken, maar geloof me: het was geen vri­jbli­jvend toer­tochtje. Het was een hell­e­vaart. Het was donker en het was nat, het was a hell of a way om de dag te beginnen.

Het dorp Gri­jp­kerke bevond zich op ongeveer de helft van de route. Maar voor je in dat dorp was, had je drie kale rechte stukken te over­win­nen. En die lagen niet in een lijn, maar ston­den haaks op elkaar. Kale stukken fietspad met hobbe­lige beton­tegels, altijd tegen­wind, bijna geen boom­pje te zien. Stukken van ongeveer ander­halve kilo­me­ter. Ze liggen er nog, de sit­u­atie is in veer­tig jaar niet wezen­lijk veran­derd.
Het mid­del­ste stuk was het meest gemene.
Dat had, als enige stuk van de hele route, een eigen, unieke naam.
We noem­den het ‘het rechte einde’.
Een naam zon­der franje, die vol­sla­gen recht deed aan wat het was: een lang, recht stuk ellende.
Zelfs nu, wan­neer ik er met een auto over ga, denk ik nog altijd: wat een klotes­tuk weg is dat hier toch.
Zo diep zit dat jeugdtrauma ken­nelijk ingesleten.

Oordeel zelf. Ga er eens fiet­sen van­daag de dag, maar dan niet op een zon­nige namid­dag, maar in feb­ru­ari, om half acht in de ocht­end, als de wind je gezicht strak trekt en de kou je han­den rimpelt. En dan zo hard als je kan.
Op Mid­del­burg aan.

Want dat maakte de tocht tot een dagelijkse wed­strijd. Dat jon­gens stoer willen zijn en willen win­nen. Dat jon­gens, als je ze in een groep bij elkaar zet en een fiets geeft plus tegen­wind, er ogen­blikke­lijk een wed­strijd van maken. Dus ging het zo hard mogelijk, met de helden, de jon­gens die kop­trokken, vooraan. Nie­mand klaagde, nie­mand weende, nie­mand bit­terde. Maar iedereen zag af. Elke dag weer.

Enkele jaren gele­den kreeg ik een emailtje van Hans Lok. Hij schreef zich uit zijn Dom­burgse peri­ode vooral die fiet­stochten te herin­neren.
’Ik denk dat toen voor een belan­grijk deel ons karak­ter is gevormd,’ schreef hij.

Waarschi­jn­lijk is dat ook zo. Je kwam buiten adem en met zure benen op je Mid­del­burgse school aan. Maar de teru­greis was veel meer relaxed. Meestal reed je dan alleen, je bepaalde je eigen tempo en na Gri­jpskerke zag je de Dom­burgse water­toren weer wenken. De rechte stukken fietspad leken vrien­delijker, temeer daar je de zuid­west­en­wind dan meestal in je rug had. Je had oog voor de Walch­erse iepen onder­weg, je jatte eens een appel in de boom­gaard bij Gri­jpskerke. Je zong eens een liedje in jezelf.
’s Ocht­end niet. Dan hing je hij­gend over je stuur en zag je niet veel meer dan het achterspat­bord van de fiets voor je. En je was kinder­lijk blij, elke keer weer, als je het kruis­punt bij het abat­toir van Mid­del­burg opfi­et­ste.
Houzee!
Je had het weer gehaald vandaag.

{ einde }

Pop­u­lar­ity: 98% [?]