Hoe het woord ‘ontpolderen’ ontstond.
by cees maas
De dag dat ik het woord ontpolderen maakte. Of eigenlijk, dat ik aan de betekenis van dat woord een draai van honderdtachtig graden gaf. Ik zat in een zijzaaltje van een conferentieruimte met meneer Henk Saeijs, hij was de hoofd-ingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Zeeland en had net de potpolders in Belgie bezocht en er geleerde woorden over gesproken voor een zaal vol Belgische waterstaters. Ik mocht hem interviewen voor de krant. Het onderwerp: de komberging van de Westerschelde. Toen al, vele jaren terug, een heikel onderwerp. Het Sigmaplan, de Waterverdragen, de overstromingen in het kleine Kruibeke (beeld:de Belgische burgemeester met zijn kleurige burgemeesterslint rond de heupen geknoopt en lange baard, woedend tussen het wassende water op zijn doorgebroken dijk)
Die tijd dus.
Een potpolder, voor het moderne begrip, is een polder waar niemand woont en die gecontroleerd kan overstromen zodat de polders stroomopwaarts aan de Schelde, waar wel mensen wonen, niet overstromen.
De overtollige bubs water is immers al weg.
Soms zijn Belgen wel slim.
Mijn vraag aan meneer Saeijs: “Hoe maken de Belgen die potpolders?“
Saeijs: “Oh, dat is gewoon een kwestie van een dijk doorsteken, de gemalen stopzetten en op hoogwater wachten. Er komt nog wel meer bij kijken, maar dat is de essentie.“
Ik: “Maar dat zou je dan ontpolderen kunnen noemen. Een polder zijn functie ontnemen en laten onderlopen, dan ontpolder je.“
Saeijs: “Ontpolderen? Interessant, maar ontpolderen klinkt weer zo negatief. Ik zou het liever rivierverbreding willen noemen. Want het grondgebied van die polder komt tenslotte bij de rivier.”
Ik schreef mijn stuk voor de krant. Gebruikte mijn nieuwe woord ontpolderen enthousiast en veelvuldig, zette het zelfs in de suggestiekop (dat is krantentaal voor een kop die nog door de eindredactie kan worden aangepast). De eindredacteur nam de kop over en de pers ging rollen. Het stuk werd ook integraal meegenomen door alle andere regionale kranten van de Gemeenschappelijke Pers Dienst, waar ook mijn krant bij was aangesloten.
Zo kwam het dat de volgende morgen meer dan een miljoen lezers het nieuwe woord ontpolderen tot zich namen bij het ontbijt.
Maar om eerlijk te zijn, en dat wist ik drommels goed, het woord an sich was niet nieuw. Niemand gebruikte het meer want het was ouderwets. Maar het bestond. En het werd vroeger in een ander verband gebruikt. “In de vijftiende eeuw werd deze polder aan de zee ontpolderd,” dat is goed Nederlands. Maar een polder die aan de mensen werd ontpolderd, daar had men in die dagen nog nooit van gehoord.
En hoe het gaat met een stukje in de krant: het ging een eigen leven leiden. Vanaf die dag hadden de radio en de tv en vooral de actiegroepen het over ontpolderen, de politici hadden het over ontpolderen en zelfs in schriftelijke vragen aan de verantwoordlijk minister werd het woord gebruikt. Nu, vandaag, in de actualiteit van de Hedwigepolder en de verdieping van de Westerschelde, is het woord een begrip. Het staat op de borden van boze boeren in de polders, het staat in de PZC, dus het bestaat.
Rijkswaterstaat Zeeland was, zacht gezegd, niet blij met dat woord in mijn krantenartikel. Daags na publicatie belde de persvoorlichter van Rijkswaterstaat boos met mijn hoofdredacteur dat het stuk, met name door dat woord, veel te negatief van toon was. En of we het maar wilden rechtzetten. Gelukkig had ik alles op tape en was mijn hoofdredacteur iemand die zijn troepen dekte. Het krantenstuk werd niet door een rectificatie ontpolderd.
Hoera. En ik heb dus de twijfelachtig eer dat woord gelanceerd te hebben. Stiekem vind ik dat wel leuk. Telkens als ik het hoor of lees. Toch denk ik dan vaak weer even terug aan de woorden van meneer Saeijs. Of ‘rivierverbreding’ niet beter de lading dekt. Eigenlijk denk ik dat wel. Maar dan zou je ook weer over landversmalling kunnen spreken. Een spel met letters, dat is het. En wat in je kraam tepas komt, dat pak je. Weet ik zeker.
Popularity: 10% [?]