Een avondmaal in ‘t Badpaviljoen

by cees maas

Skyline van Domburg met rechts het koepeltje van het Badpaviljoen

Sky­line van Dom­burg met rechts het koe­peltje van het Badpaviljoen

Een tar­taartje van zalm met daar­bovenop een luchtig gefritu­urd stukje verse krab. Daarna een mootje kabel­jauw. Op het vel gebakken, vergezeld van een beetje wilde spinazie. Dan arriveert een stukje haas, a point gebakken, met knolselder­i­jpuree, waar­van iedereen aan de ronde tafel onmid­delijk zeker weet dat dit wel de aller­lekker­ste knolselder­i­jpuree is die ooit is genoten. De strand­visser in ons gezelschap heeft zich een zee­tong aangeschaft, begraven onder een bergje gri­jze gar­nalen. Hij kre­unt goed­keurend. De glazen rinke­len en het bestek tikt op de porceleinen bor­den. Op hon­derd meter afs­tand fluis­teren de Dom­burgse gol­ven tegen het strand. Het is hier okee. Eten met mensen die je leuk vindt, in een (om dat vre­selijke woord maar eens te gebruiken) gezel­lige entourage. Het is hier meer dan okee. Als mensen kon­den spin­nen, zou een zacht gezoem boven deze tafel oprijzen.

We eten in het Bad­paviljoen. Bovenop ‘t Duun­tje.
Het is bij­zon­der dat we hier zit­ten. Tussen ons en de grote Noordzee niets dan een dun laagje glas. Vroeger mochten gewone ster­velin­gen als wij niet eens in het voor­por­taal van dit sjieke gebouw komen. Het Bad­paviljoen was voor de rijken, die er een soos hielden. En er golden strenge aparthei­dswet­ten voor de dor­pelin­gen. Maar de tij­den zijn veran­derd, het Bad­paviljoen is her­bouwd, vernieuwd en democ­ra­tis­cher gewor­den. Daarom, hoera, geni­eten wij nu van dit avond­maal aan zee.
De nagerechten wor­den geserveerd. Een tri­ootje van choco­lade­mousse, handge­maakt roomijs en een sub­liem pud­dinkje waar­van ik de beschri­jv­ing ver­geten ben.
Het is een feestje. We vieren de geboorte van het boek van de strand­visser.
De vrouw van de strand­visser vertelt over haar reizen. Eens heeft ze de Her­mitage in St.Petersburg bezocht. De glet­sjers van IJs­land, de wouden van Canada. Ze vertelt over de zeden en gewoon­ten van haar geboorteplaats West­kapelle. Waar het vol­strekt nor­maal was dat je een­maal per week je straatje schu­urde met bleek­wa­ter. En dat de burg­erij in het alge­meen daar ook ste­vig soci­aal con­trol­erend toezicht op hield. Dat je je maar aan dat dorp­sre­gle­ment hield.
Vooraf­gaande aan elke gang komt een kel­ner aan je tafel te vertellen wat je nu weer te eten kri­jgt. Zijn toe­spraak­jes duren ongeveer een halve min­uut.
De bedi­en­ing ziet veel en stelt zich actief op. Een klein meisje huilt ergens om en een kel­ner vraagt onmid­delijk of hij ergens mee kan helpen.

En als De Vrije Dom­burger en zijn dame tussendoor in het donker buiten hun avond­si­gaartje roken en naar de zee staren, komt er een kel­ner naar buiten om te vra­gen of er licht genoeg is en of we wat anders blieven. Nee dank u, op de ter­ras­rand tussen de enge­len en de griekse zuilen staat dis­creet een kleine asbak. Dat is alles wat we blieven.

Bin­nen is het warm en rustig. Door de ramen kun je het zomer­huis van Aarnout Helb zien, donker en een­zaam tegen de duin­rand. Ik herin­ner me een intens gedicht van hem over het graf van de Dom­burgse schri­jver Van Scha­gen. Het duin­pad heet hier ook Boule­vard van Scha­gen. Late wan­de­laars schuiven als schim­men voor­bij over de boule­vard. Het is een foto met een hele lange sluiter­tijd. Het is decem­ber, noor­doost­en­wind, dus koud, en er zijn niet veel toeris­ten in Domburg.

De restau­rantzaal is sober, strak en prachtig ingericht. De koks kun je zien werken in de open keuken, ze dra­gen alle­maal een frans kalotje. Mijn vooro­ordeel over de aparthei­dswet­ten van vroeger zat nog zo vast­gemet­seld in mijn kop, dat ik voor deze gele­gen­heid een col­bertje heb aangedaan. Het was niet nodig geweest: Het Bad­paviljoen is vrien­delijk en onged­won­gen gewor­den. Ik ben de enige met een jasje in de zaal.

Na genoten zaken wan­de­len we huiswaarts door het donker van Dom­burg. De maag voelt super­goed. De hond van Tom van Hotel Nehalen­nia loopt buiten wat te schar­re­len. John-Peter van Hotel Zonneduin doet de lichten uit. Christof­fel van Hotel Duin­lust heeft de oude limon­ade­fab­riek naast zijn hotel gekocht. Slim, want de strook hier voor het vernieuwde Bad­paviljoen heeft de poten­tie van een goud­kust. We wan­de­len langs Looverdale op het Vil­la­park aan. Een­drachtig komen we tot een gelijk­lu­idige con­clusie: Het is een schone avond geweest.

Pop­u­lar­ity: 13% [?]

Stuur dit ver­haal naar mensen die je kent:
  • email
  • TwitThis
  • Digg
  • Sphinn
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Mixx
  • Google Bookmarks
  • Blogosphere News
  • MySpace
  • YahooMyWeb