Het licht van Nehalennia

by Henk Postma

Replica van de Nehalenniatempel in Colijnsplaat - foto Cees Maas

Replica van de Nehalen­ni­atem­pel in Col­i­jn­splaat — foto Cees Maas

Wie weet echt wie ze was? Nehalen­nia, de godin van de oude Schelde­mond­ing. Ze spreekt al eeuwen tot de ver­beeld­ing. In Col­i­jn­splaat en Dom­burg ston­den haar tem­pels. In Col­i­jn­splaat hebben ze haar waardig her­dacht en een prachtige kopie van haar tem­pel geplaatst. Dom­burg moet het (vooral­snog) met een wat merk­waardig kunst­werk doen. Schri­jver Henk Postma dook diep in de Zeeuwse geschiede­nis. Hij noemt zijn stuk zelf: Het genezende licht bij de Helle.

Door Henk Postma
De oor­sprong van Nehalen­nia, de godin van de oude Schelde­mond­ing en de enige godin die Ned­er­land ooit heeft gek­end, lijkt nog steeds in dikke neve­len gehuld. Oud­hei­d­kundi­gen houden het op een raad­sel. Zoals ze ook met de mond vol tanden staan wan­neer hen gevraagd wordt naar de herkomst van Neeltje Jans, de naam van de zand­plaat waarop Rijk­swa­ter­staat de Oosterschelde-stormvloedkering bouwde. Maar voor prof. dr. Arnold Cor­nelis, oper­erend vanuit zijn eigen ‘filosofie en ken­nis­cen­trum’ aan de Koe­poort­straat in Mid­del­burg, is het zon­neklaar: Nehalen­nia is Neeltje Jans, moed­er­godin uit de Keltische mytholo­gie. De eerste naam ‘Nehalen­nia’ werd haar toebe­dacht door geleer­den, zij die de ken­nis had­den van het schrift. De tweede naam ‘Neeltje Jans’, is veel ouder, en afkom­stig uit de volksmond. De beteke­nis is gelijk: het genezende licht bij de Helle, waarmee in die tijd de Noordzee werd bedoeld.

In zijn baan­brek­ende ‘Filosofie van de Sta­biliteit­sla­gen in de Cul­tuur als Nestel­ing der Emoties’ voert Cor­nelis de Keltische godin Nehalen­nia alias Neeltje Jans ten tonele als ‘het mytisch beeld van de moederbind­ing’, worte­lend in het ‘natu­urlijk sys­teem’ van de Keltische volk­eren die leef­den langs de kust van de Noorzee, vroeger Hel(le), Hol(le) en Harle genoemd. Ze is de godin van de gebor­gen­heid: hoed­ster tegen de angst voor het water, de ver­slin­dende diepte van de Hel(le). Het chris­ten­dom maakte daar later het vage­vuur van. En verv­ing Nehalen­nia door de Heilige Maagd. Nu die, op haar beurt, door het geloof in de tech­niek is weggevaagd, biedt de stor­mvloed­ker­ing hou­vast. Ver­ankerd in de schoot van Neeltje Jans, de godin die de ver­beeld­ing weer aan de macht bracht.

Er zijn de afgelopen decen­nia al vele deftige con­gressen, ten­toon­stellin­gen en stud­ieda­gen aan de Godin gewijd. Maar de geves­tigde krin­gen weten er nog immer geen weg mee. Het Zeeuws museum bli­jft haar hard­nekkig afficheren als een ‘inheemse godin uit de Romeinse tijd’. Alsof de geschiede­nis daar ophoudt. Zo kon het dit jaar gebeuren dat in het museum trots een ‘Romeinse zaal’ werd ingericht. Met als pronkstukken een serie altaren en beelden die aan Nehalen­nia zijn gewijd. Ver­weerde votief­ste­nen die bijna twintig jaar terug bij Col­i­jn­splaat uit de Oost­er­schelde wer­den gevist, wat betekent dat daar ooit één van haar tem­pels stond. Eve­nals bij Dom­burg, waar het strand drieën­halve eeuw gele­den al brokstukken bloot­gaf van een Nehalennia-heiligdom. Die vondst ontrukte de godin des­ti­jds aan het rijk der ver­getel­heid waar­naar ze door het chris­ten­dom was ver­ban­nen. Het kan haast niet anders of het altaar dat ooit in Zee­land door Willi­bror­dus — de brenger van de bli­jde bood­schap — in stukken werd ges­la­gen, was aan Nehalen­nia gewijd.

Inder­daad, de plot­sel­ing weer uit zand en water tevoorschijn gekomen Nehalennia-altaren dateren uit de Romeinse tijd. Daar hebben ze bij het Zeeuws Museum gelijk in. Langs die Romeinse weg kwam Nehalen­nia de geschreven geschiede­nis bin­nen. Maar ze was, zoals alle godin­nen, natu­urlijk veel ouder. Ze was de pre­his­torische godin van een Keltisch volk uit West-Europa dat leefde langs de kust van de Noordzee, die des­ti­jds heel anders heette. In de streek die nu door Vlamin­gen en Zeeuwen wordt bewoond, noem­den ze die zee de Hel(le). Wat noordelijker werd het de Hol(le). En in de streek die nu Fries­land heet spraken ze van de Harle. Oud­hei­d­kundi­gen kri­j­gen maar weinig vat op die tijd. Ze staren zich blind op de tek­sten die in de altaren van Nehalen­nia staan gegrift. Dat was taal van de Romeinse geleer­den. De naam Nehalen­nia werd hen door Keltische priesters, de druï­den, gedicteerd. Wat er schuil gaat achter die naam, vertellen de geschiedenis­boeken niet.
Die weten­schap had­den alleen de Kelten.

De Keltische cul­tuur ligt ver­bor­gen onder opeen­vol­gende lagen Griekse, Romeinse en chris­telijke cul­tuur. En voor wat het Zeeuwse deel van de Delta betreft, ook nog eens onder dikke lagen slib, zand en water. De Kel­ten zelf schreven niet. Behalve wat geheim­taal van de priesters, kenden ze geen schrift. Ze onthielden alles uit het hoofd, met als gevolg dat we slechts weinig van hen weten. Ten­zij we terug­gaan naar de taal, afkom­stig uit de volksmond, en zoals die des­ti­jds door de Kel­ten werd gesproken.

De filosoof prof. dr. Arnold Cor­nelis (hoogler­aar in de sociale the­o­rie van de ken­nis aan de Vrije Uni­ver­siteit Brus­sel) keek verder dan de dode ste­nen van de arche­olo­gie. Zijn ‘Filosofie van de Sta­biliteit­sla­gen in de Cul­tuur’, bezorgden hem de sleu­tel: de wor­tels van taal, of liever de ‘moed­er­taal’. Want daarin ligt het spoor terug naar het ‘natu­urlijk sys­teem’ van de Kel­ten, een samen­lev­ing van mythisch denken, voort­brenger van de eerste grote Europese beschav­ing. Die was nog niet geor­dend vol­gens de tech­niek van schrift, wet­gev­ing en ‘sociale regel­sys­te­men’. Daar was een tweede beschav­ings­golf voor nodig, de Griekse, met als ken­merk het schrift, gevolgd door een Romeinse met een wet­gev­ing, leger en poli­tiek systeem.

De Kel­ten waren een zee­varend en trekkend volk dat uitzwierf over heel Europa tot in Klein-Azië toe. Ze ver­brei­d­den hun cul­tuur van de ‘mythis­che gebor­gen­heid’ in ‘het natu­urlijk sys­teem’ langs de wegen van de com­mu­ni­catie in die tijd, namelijk over water. Ze vor­m­den dan ook niet zozeer een volk, als wel een beschav­ing, het was een men­geling van volk­eren en talen. Maar de beelden, de arche­typen van mythisch denken, waren dezelfde. Die bepaalden de een­heid van denkwi­jze van de cultuur.

Veel van die oude mythis­che beeld­vorm­ing, ontstaan langs de riv­ieren en de kusten van Europa, werd in aangepaste vorm door de lat­ere Griekse, Romeinse en Chris­telijke cul­turen overgenomen. Zon­der bron­ver­meld­ing, voor eigen doelein­den aangepast, en via het schrift vast­gelegd. Zo werd de Nehalen­nia, de godin van de vroegere Schelde­mond­ing, als sym­bool van de moederbind­ing afgevo­erd en ver­van­gen door de Heilige Maagd. Die ver­scheen daar in de gestalte van een raad­selachtig tot stand gekomen schilderij. De streek van Nehalennia’s heilig­dom­men veran­derde daarmee in een chris­telijk bede­vaart­so­ord, genaamd ‘Onze Lieve Vrouw in de Polder’ (Vrouwenpolder).

Griekse filosofen ver­melden dat ze de Keltische druï­den als hun leer­meesters beschouw­den. De eerste filosoof van de oude Griekse wereld, Thales van Milete, in Klein-Azië, verkondigde ruim zes eeuwen voor Chris­tus, dat alles was ontstaan uit water. Hoe hij daar bij kwam weten we niet, maar we kun­nen het nu begri­jpen. Want Milete was een han­delsstad, gele­gen aan een riv­ier, met veel invloe­den, het was een Keltisch motief.“
Er zijn aan­wi­jzin­gen dat de Griek Home­rus zijn ver­halen, de Ilias en de Odyssee, optek­ende uit de mond van een Keltische druïde, en dat die vertellin­gen uit Enge­land en Zee­land afkom­stig zijn. Home­rus situeert zijn vertellin­gen in de Griekse wereld. Maar dat spoort niet met het kli­maat waarin ze zich afspe­len: het is een kli­maat van mist en regen, een zee met een sterke eb– en vloed­be­weg­ing, en typ­isch Keltische gebruiken als lijkver­brand­ing. De Ned­er­landse econoom Imam Wilkens, residerend te Par­ijs, ves­tigde daar bijna tien jaar gele­den al de aan­dacht op in zijn lijvige Engel­stal­ige studie ‘Where Troy once stood’, ver­sch­enen bij de Lon­dense uit­gever Rider.

Wilkens sug­gestie als was het Zeeuwse deel van de Delta ooit een religieus cen­trum van de Kel­ten, werd door oud­hei­d­kundi­gen meteen naar het rijk der fabe­len ver­wezen. Maar hun argu­menten klonken weinig over­tu­igend. Het heeft er veel van weg dat ze de geschiede­nis liever laten ophouden bij het punt waar hun vakge­bieden verder kijken onmo­gelijk maakt, dan andere dis­ci­plines serieus te nemen. De filosofie van Cor­nelis, geschraagd met de vrucht van zijn taalkundig onder­zoek geeft oplossin­gen voor raad­sels die de oud­hei­d­kundi­gen tot dusver met de mond vol tanden lieten staan.
Kort en goed komen zijn belan­grijk­ste bevin­din­gen hier op neer: De beteke­nis van ‘Nehalen­nia’ is dezelfde als die van ‘Neeltje Jans’, de naam van de zand­plaat waarop Rijk­swa­ter­staat de Oosterschelde-stormvloedkering bouwde. Beide namen beteke­nen: ‘Het genezend licht bij de Hel(le)’, tegen­wo­ordig de Noordzee geheten.

Nieuw is dit alles al lang niet meer. Cor­nelis schri­jft er al enkele jaren over. In zijn bijna achthon­derd bladz­i­j­den tel­lend boek over de ‘Log­ica van het gevoel’, waarin hij zijn ‘Filosofie van de Sta­biliteit­sla­gen in de Cul­tuur als Nestel­ing der Emoties’, uit de doeken doet, wijdt hij er ander­half hoofd­stuk aan. Dat boek is inmid­dels al in acht­ste ver­meerderde druk ver­sch­enen. Hij pub­liceerde er ook over in een Zeeuws heemkundig tijd­schrift. En hij maakt er al jaren­lang gewag van tij­dens de hon­der­den spreek­beurten waar­voor hij overal in het land, en ook in Zee­land, wordt gevraagd. En toch bli­jft geves­tigd Zee­land doof. Zoals ook de geleer­den­taal, lange tijd de oor­sprong van alle schriftelijke bron­nen, alle ken­nis over de Keltische oor­sprong van de Schelde-godin weg­po­et­ste.
Daarom terug naar de volk­staal. Want daarmee komen we wel verder.

De volksmond zorgde ervoor dat Neeltje Jans, als naam voor de zand­plaat in de Ooserschelde-monding, door de eeuwen heen behouden bleef. Ze werd gebruikt door schip­pers en vis­sers. Op zeekaarten kwam ze niet voor. Pas aan het begin van de negen­tiende eeuw ver­scheen Neeltje Jans voor het eerst op de kaart. „Dat gebeurde door toe­doen van een Franse car­tograaf, onder invloed van de Romantiek. Want pas in de Romantiek, die in Frankrijk begon, hechtte men waarde aan het volk­seigene, met zijn mythen en sprook­jes, en aan de namen die door het volk wer­den gegeven.“
Neeltje Jans mocht dus bli­jven. „De uit­gang ‘s’ geeft aan dat het gaat om een plaat­snaam, de verbli­jf­plaats van ‘Neeltje Jan’, in de vrouwlijke vorm ‘Neeltje Jaan’. Die naam gaat terug op de com­bi­natie van ‘Ne’, ‘Helle’ en ‘Jaan/s’. Het eerste deel betekent ‘nabij’. Het tweede, ‘Helle’, was de oude naam voor de Noordzee: de donkere diepte, voor­w­erp van angst omdat de zee doo­d­soorzaak num­mer één was. Die angst was vanaf de oud­heid ver­bon­den met het hele Deltagebied.

De naam Jaan is ver­want met Jeanne in het Frans en Joan in het Engels. In het Engels ver­schi­jnt er een licht ‘d’ voor de ‘j’ van Joan. De ‘di’ klinkt ook door in de naam van de Romeinse godin Diana, dan kri­j­gen we ‘dija’. Alle deze namen gaan terug op de wor­tel ‘(d)ija’ die ‘doorschi­j­nend licht’ en dus helder­heid betekent. Er is ook een verbind­ing mogelijk van ‘Jaan’ en de Keltische beteke­nis van ‘ij(a)’, dat water betekent. Dan kri­jgt ‘Jaan’ de beteke­nis van doorschi­j­nend licht op het water, waar­bij een genezende of her­stel­lende kracht werd vooron­der­steld.“
„In de Lati­jnse ver­sie spreekt men van Diana van het woud, ze was aan­vanke­lijk vergezeld van een hond, een Keltisch motief, dat sym­bool was voor een huis­dier, maar ook de beteke­nis had van trouwe begelei­der in het rijk van de doden en als sym­bool voor genez­ing werd gebruikt. De toevoeg­ing dat het in de Romeinse mytholo­gie ging om een Diana van het woud kan er op wijzen dat er ook een andere Diana was, een Diana van de zee, de ‘Jaan’ van Neeltje Jans.”

Nehel­lenia, de geleer­den­naam voor de godin, begint net als ‘Ne/Helle/Jaan/s’ met de plaat­saan­duid­ing; nabij. Dat kun­nen we verbinden met de naam voor de zee de ‘Helle’, die ook wel werd uit­ge­spro­ken als Holle of Hale(n), wat ook blijkt uit de ver­schil­lende schri­jfwi­jzen op de altaarstukken. Het eerste stuk van de naam ‘Nehalen­nia’ betekent dus ‘bij de helle’, of ‘bij de hale’, bij de Noordzee. Als we nu ‘ia’ toevoe­gen, dan hebben we Nehalen­nia. De ver­dubbel­ing van de ‘n’ is een gevolg van ver­spring­ing en betreft alleen de relatie tussen schri­jfwi­jze en uit­spraak, de volksmond zette de ‘n’ achter­aan.“
„Zo ont­ton­den naast elkaar de volk­snaam Neeltje Jans voor de zand­plaat en de geleer­den­naam Nehalen­nia, gebeit­eld op de altaarstukken die zijn gevon­den onder water, nabij dezelfde plek. Wie dat niet direct vat moet eens rij­den over de Oosterschelde-stormvloedkering en kijken naar de zee. De dagen ver­schillen en de momenten van de dag, het licht van de zee is altijd anders. Tegen­wo­ordig kan iedereen het zien, als je die weg neemt, de weg van de betover­ing. Vroeger kenden alleen de schip­pers en de mensen aan de Helle die schoonheid. Maar zij kenden nog iets meer. Wan­neer de grote gol­ven vanuit de betekke­lijk diepe Noordzee de ondiepe kust nader­den bij de zand­plaat Neeltje Jans, dan kon­den die gol­ven hun beweg­ing niet voortzetten, het water spoot omhoog, dat heet een grondzee. In het zee­wa­ter zit fos­for van plank­ton, dat groen oplicht. Als de schip­pers vanuit de zee de kustlijn nader­den, dan zagen ze, in het duis­ter, dat licht, het licht bij de Helle, de plek waar ze moesten komen zon­der te ver­gaan in de grondzeeën, bij Neeltje Jans, die de mythis­che aan­duid­ing kreeg van een godin.”

Als een Keltische kri­jger gewond op het slagveld achterbleef, ter­wijl de duis­ter­nis inviel en de kou het land­schap omhulde met nevels, dan wist hij dat hij die nacht zou ster­ven. Bij die gedachte kwam het beeld van een nimf in hem op: de fee Mor­gen, in het Engels Mor­gan. Uit de slierten van nevels trad zij naar voren en zij nam hem op en droeg hem naar het hier­na­maals, als een moeder die zich ont­fermt over haar kind. Als de lijkrovers en de over­win­naars de vol­gende mor­gen kwa­men zoeken naar buit von­den ze slechts zijn ontwrichte lichaam, zijn geest was verd­we­nen, meegenomen door Mor­gan, naar thuis, een oord waar hij graag was, waar rust heer­ste en vrede, een eiland waar geen lev­ende komen kon.“
„Aangenomen mag wor­den dat in het gebied van de Delta, en bij de Kel­ten die aan de zee­vaart hun bestaan ontleen­den, ver­drink­ing de meest voorkomende doo­d­soorzaak was. Daarom zal Neeltje Jaan — hoewel eve­neens sym­bool van moed­er­lijke gebor­gen­heid — een ander werk­ter­rein hebben gehad en een andere rol hebben vervuld dan de fee Mor­gan. Neeltje Jaan hield toezicht op de zee en zorgde voor de berg­ing van dege­nen die waren ver­dronken. Zoals de fee Mor­gan ver­scheen in de gedaante van nevels, zo zagen de bewon­ers van de kust Neeltje Jans in het licht van de zee.”

Een mens door­loopt een cyclus, vertrekt in zijn bestaan vanuit het vrucht­wa­ter in de moed­er­schoot en eindigt in het hier­na­maals dat werd voorgesteld als water en zee. Het Zeeuwse wapen zegt ‘ik wors­tel en kom boven’, boven water, maar uitein­delijk is dat voor het indi­vidu niet zo, we zakken, dat ligt besloten in het­zelfde beeld. Onder­gaan in water is sym­bool voor de dood. het begin en het eind van de din­gen is water, de Helle. Het chris­ten­dom nam die naam, de ‘hel’, over als aan­duid­ing van de plaats waar dege­nen ver­toef­den die waren ver­laten, niet opgenomen, ze waren niet bij Neeltje Jaan.“
„Neeltje Jans was de bescher­mgodin van de zee, en wellicht tevens een nimf, want nim­fen horen bij riv­ieren, en hier ligt de mond­ing van de Schelde. Het was de tijd van de vrouwelijke goden, het sym­bool van de gebor­gen­heid in het ‘natu­urlijk sys­teem’. Dat zij daar was, juist op die plek, daar was alle reden voor, zij was de Rijk­swa­ter­staat van vroeger. Dat juist op die plek nu de Oosterschelde-stormvloedkering ligt, laat de ver­bor­gen stur­ing zien van de log­ica van het gevoel. Het is een prachtige lus van terug­meld­ing. Het gevoel kri­jgt gelijk. De tech­niek wordt ges­tu­urd door de log­ica van het gevoel.”

Tot het bouwen van de Oosterschelde-stormvloedkering, ook wel ‘de tri­omf van tien eeuwen Ned­er­landse water­bouw’ genoemd, werd besloten in een tijds­gewricht dat ‘de ver­beeld­ing aan de macht’ was. Begin jaren tachtig toren­den de zesen­zes­tig pijlers die ‘het kunst­werk van de eeuw’ zouden gaan schra­gen, omhoog uit de bouw­put op de tot kun­st­matig eiland omgevor­mde zand­plaat Neeltje Jans. Op bezoek­ers liet dat schouwspel een onu­itwis­bare indruk achter. Ze had­den het over ‘won­der­lijk mastodonte kathe­dralen tegen de achter­grond van de altijd in beweg­ing zijnde lucht, omgeven door zon en zand, en omwoeld door wind en water’. Er werd van gezegd dat ze in geheimzin­nigheid wedi­jver­den met de Egyp­tis­che pirami­den. Ir. Theo Janssen, ver­keer­son­der­zoeker te Zoeter­meer, legde het pijler-landschap fotografisch vast als was het een ver­bond van tech­niek en mythe. „Toen ik door de bouw­dokken liep”, vertelde hij later, „kreeg ik het gevoel: het kan de toekomst zijn, maar ook het verleden. De kathe­dralen van vroeger, of de ruimteschepen van de toekomst. Het had iets religieus, alsof er tem­pels gebouwd waren voor een God die nog niet gek­end was.”

* Kern van dit artikel is een samen­vat­ting van het hoofd­stuk XXI, ‘Wie was Neeltje Jans?, de moed­er­taal als ken­nis­bron voor het ver­bor­gen verleden’, uit het boek ‘Log­ica van het Gevoel, Filosofie van de Sta­biliteit­sla­gen in de Cul­tuur als Nestel­ing der Emoties’, geschreven door prof. dr. Arnold Cor­nelis. Het artikel bestaat deels uit let­ter­lijke citaten en bew­erkin­gen van de oospronke­lijke tekst. Het hoofd­stuk waaruit is geput, vormt onderdeel van de afdel­ing III van het boek, dat han­delt over ‘de mythis­che gebor­gen­heid als cul­turele sta­biliteit­slaag van het natu­urlijk sys­teem’. Het boek (ISBN 90–72258-02–9; 800 bladz­i­j­den) is inmid­dels ver­sch­enen in acht­ste ver­meerderde druk. Het is een uit­gave van de Sticht­ing Essence Amsterdam/Brussel/Middelburg. Koe­poort­straat 6, 4331 SL Mid­del­burg. Van de hand van Cor­nelis ver­scheen daar dit jaar een tweede boek: De Ver­traagde Tijd, Revanche van de Geest als Filosofie van de Toekomst (ISBN 90–72258-03–7; 174 blz.)
* Ook is geput uit ‘Where Troy once stood’ van Ivan Wilkens, in 1990 uit­gegeven door Rider Lon­den, en ‘Home­rus, zanger der Kel­ten, Odysseus op Schouwen-Duiveland’ van Ernst Gideon, in 1973 uit­gegeven door Ankh-Hermes.

 

- Eventuele reac­ties, vra­gen, opmerkin­gen of aan­vullin­gen op dit artikel graag (ook) naar de schri­jver: Henk Postma, debard@zeelandnet.nl

Pop­u­lar­ity: 21% [?]

Stuur dit ver­haal naar mensen die je kent:
  • email
  • TwitThis
  • Digg
  • Sphinn
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Mixx
  • Google Bookmarks
  • Blogosphere News
  • MySpace
  • YahooMyWeb