De Vrije Domburger

25.000 bezoekers per jaar
De Vrije Domburger

Nieuw Zeeuws Blog, De Vrije Domburger stopt.

Hallo,
Met ingang van heden (7 febr. 2010) is de web­site De Vrije Dom­burger (die al meer dan tien jaar bestaat) niet meer actief. Alle links bli­jven nog wel bruik­baar en de inhoud bli­jft gewoon bestaan.

Ik ben een nieuw Zeeuws blog begonnen met de naam De Zunige Zeeuw
Ga er maar eens een kijkje nemen.
Het adres is zunigezeeuw.net Er staat nog niet veel op, maar ben ook nog maar net bezig.
Dom­burg zal in het nieuwe blog zeker weer aan bod komen.

De Vrije Dom­burger was lokale jour­nal­istiek, ik kreeg steeds meer behoefte aan ver­bred­ing van dat ter­ri­to­rium. De Zunige Zeeuw gaat over Zeeuwse onder­w­er­pen, Zeeuwse natuur, Zeeuwse geschiede­nis en de Zeeuwse talen. Eigen­lijk is het nieuwe blog gewoon een reisdagboek.

Ik wil alle trouwe bezoek­ers aan De Vrije Dom­burger hartelijk bedanken voor hun belang­stelling, hun reac­ties en de andere bij­dra­gen die ze leverden.

Cees Maas

Pop­u­lar­ity: 12% [?]

Hoe het woord ‘ontpolderen’ ontstond.

De dag dat ik het woord ont­polderen maakte. Of eigen­lijk, dat ik aan de beteke­nis van dat woord een draai van hon­derd­tachtig graden gaf. Ik zat in een zijza­altje van een con­fer­en­tieruimte met meneer Henk Saeijs, hij was de hoofd-ingenieur-directeur van Rijk­swa­ter­staat Zee­land en had net de pot­pold­ers in Bel­gie bezocht en er geleerde woor­den over gespro­ken voor een zaal vol Bel­gis­che water­staters. Ik mocht hem inter­viewen voor de krant. Het onder­w­erp: de komberg­ing van de West­er­schelde. Lees verder »

Pop­u­lar­ity: 10% [?]

De Vrije Domburger is een beetje dwars…

Dit is een dien­stmed­edel­ing. Nu ziet het er toch naar uit dat het gaat lukken met de makeover van De Vrije Dom­burger. Ik zoek een (Wordpress)raam dat sim­pel is, overzichtelijk, een nette typografie heeft en foto’s goed pre­sen­teert. Je kijkt er nu naar. Het raam moet nog wor­den bijgeschaafd, er staan nog veel engelse woord­jes her en der, maar de basis is gelegd.
Het bevalt me zo. Geen zij­menu­ut­jes meer, geen populariteits-topjesdrie, geen gejen­gel, kor­tom, veel min­der aflei­d­ing.
Sinds het ontstaan van De Vrije Dom­burger in 1998 is er nogal veel veran­derd aan het uiter­lijk. Dat komt voor een deel omdat de web­site soms meer dan vijfhon­derd stuk­jes tegelijk bevatte en die gin­gen dan drin­gen en revolte zaaien.
Ik bedank de reg­uliere bezoek­ers voor hun geduld.
Onder­tussen raad ik een bezoekje aan mijn vriend Jan Jee­Bee aan, in het film­pje hieron­der (met dank aan Flip Video). Hij was eens stads­dichter van Mid­del­burg, en resideert nu in het dor­pje Kat­tendijke. Alwaar hij zijn poezie (en veel meer andere tek­sten) brouwt. Zijn laat­ste boek was, vond ik, een grandioze vertelling gesitueerd in Brouw­er­shaven, genaamd De Kleine Lev­i­tan. Lees het maar, op uw ozo nieuwe Ipad.
Het film­pje over het nylonge­heim (tip: spreek dat woord eens uit en let op de klank) staat ergens onder dit stukje.

hef­faneiswiekent,
en salu,
Cees

Pop­u­lar­ity: 10% [?]

Het Nylongeheim van Jan JB Kuipers

Pop­u­lar­ity: 9% [?]

Domburg en het overzicht der dingen

Stuifzand, Domburg 2009

Stu­ifzand, Dom­burg 2009

Dom­burg is een sim­pel dorp. Voor een auto ga je naar Leo of Ko, voor een huis naar Johan. Moet je voordeur een nieuwe lak­laag, dan bel je Ton­nie, wil je een surf­plank voor je ver­jaardag, dan ga je naar Jan. Zo hangt een dorp en wat dat dorp zijn mensen aan dien­sten biedt, van namen aan elkaar.
Namen zijn belan­grijk in Dom­burg. En ze helpen de boel overzichtelijk te houden. Geen Gouden Gids nodig. Niet alleen voor de doorde­weekse ben­odighe­den, maar ook voor spe­cial­isaties kun je terecht bij de namen. Bijvoor­beeld: wil je ineens alles weten over een his­torisch voor­laderge­weer, dan stap je naar David of Wim, en een andere Wim weet weer alles over net­ten­breien. Frans en Mar­tin zijn de twee ken­ners als je je visje wilt roken, Jaap is de bil­jar­tau­thor­iteit, Wim de lokale paar­den­fluis­ter­aar, een strand­tent huur je bij Kees of Piet, ter­wijl Jos en Lau je alles weten te vertellen over de lokale geschiede­nis. En Jan, ja die kan je leren hoe je zon­der een spier te ver­rekken vier kilo­me­ter tegen de stroom in naar Oost­kapelle zwemt.
Mocht je dat willen leren.
Naar Ooskap­pel zwem­men.
De geografie van het dorp is ook zeer sim­pel en overzichtelijk. Van Scha­gen schreef het al: We hebben een Noord­straat, een Zuid­straat, een Oost­straat en een West­straat en in het mid­den hebben we de kerk neergezet.
Geen Tom-Tom nodig.
Toeris­ten realis­eren zich die overzichtelijkheid aan­vanke­lijk niet. Die zie je zoeken als ze voor ‘t eerst op ‘t duun­tje staan, waar is noord, waar is west, waar ligt Enge­land?
Laat staan dat ze de namen ken­nen.
Toeris­ten zijn mensen die gewend zijn aan ingewikkelder struc­turen. Die van grote ste­den of die van multi­na­tionale bedri­jven.
Het strand is ook weer zoi­ets. Je loopt van oost naar west. Of van west naar oost, meer smaken zijn er niet. De grote dichter P.C. Boutens heeft eens geschreven dat Dom­burg slechts bestaat uit twee strikt van elkaar geschei­den lij­nen.
Meer niet.
Twee pot­lood­strepen.
De eerste lijn loopt par­al­lel aan de zee over de duinen, dat is de schoonheid, de natuur, de zui­v­ere wind. Dat is het inner­lijk. Dat is het geluk. Dat is het kuiertje dat de Dom­burger maakt als hij of zij vrij is.
Dat is waar je de toerist vindt in de zomer, in een lang lint uit­gestrekt op het strand of ver­pozend in de duinen en het bos. Alle­maal langs de gelukslijn.

De tweede lijn staat daar haaks op en steekt via het schuitvlot langs de molen van Mon­dri­aan het voor­ma­lige eiland Walcheren en de rest van de wereld in. Dat is een grim­mige lijn. Die verte­gen­wo­ordigt het uiter­lijk, de plichten, de baan in de stad, de school, het kan­toor van de Belast­ing­di­enst, de harde werke­lijkheid. Via deze lijn komt ook het geld (de toeris­ten) Dom­burg bin­nen. En dat is het autoritje dat de Dom­burger maakt als hij of zij naar het werk moet.
Een heel dorp als twee haaks op elkaar staande lij­nen. Er zit wel wat in. Natu­urlijk: Yin en Yang. Het even­wicht. Het volle leven. Het is vooral een gevoel, maar veel Dom­burg­ers zullen bea­men dat die lij­nen, hoewel niet getek­end, echt bestaan.
Je voelt het, als je van de ene in de andere lijn stapt.
Absoluut.
Ik ook.
Daarom heb ik soms een sterke drang om even bij Jan langs te gaan voor voor­berei­dende infor­matie en dan oost­waarts langs de geluk­slijn naar Ooskap­pel te zwem­men.
Tegen de stroom in.
Op Ooskap­pel aan.

Pop­u­lar­ity: 12% [?]

Notities bij een veld met strobalen

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

Okee, er is geen directe link met Dom­burg. Maar zeker wel met Zee­land. Het gaat over een veld in Zuid-Beveland. Een een­voudig stop­pelveld met harde bru­ine graanstop­pels. Hier heeft gerst ges­taan, het is een polder van gedraineerde zeek­lei met maar een klein beetje zand, tussen Kapelle en Kloetinge.
Er gebeurt natu­urlijk nooit iets. Het is er zo leeg en on-spectaculair als Zee­land soms kan zijn. Het is roer­loos oud land.
Er is geen ver­lan­gen.
Er is geen hoop.

Mocht er al iets gebeuren hier, dan zijn die gebeurtenis­sen hard, direct en frag­men­ta­trisch. Soms komt er een een­zame fietser voor­bij. Of een wan­de­lende dom­i­nee die mom­pe­lend zijn preek voor komende zondag loopt te bedenken. De leeuw­erikken en veld­muizen kijken dan even op een gaan ver­vol­gens weer door met de orde van hun dag.
Het veld wacht wel. Al zeven­hon­derd jaar.
Het waait er wel vaak, in die polder. In de buurt woont een dichter. Maar die komt hier bijna nooit en zeker niet graag. Die maakt zijn woor­den in een dor­pje op de ein­der. Omringd door zijn boeken, zijn demo­nen en zijn eigen her­metis­che wereld. Dat de regen hier smaakt naar de buitenkant van suiker­bi­eten. Dat schreef die dichter. Hij kent de polder dus wel. En de boer, die komt hier driemaal per jaar. De eerste keer zaait hij, de tweede maal maait hij. En de derde keer pakt hij de pakken ger­ste­stro (350 kilo per stuk!) op met een grote, rode gri­jp­ma­chine dat van een eind wel op een rok­ende dinosaurus lijkt.
De boer, de fietser, de dom­i­nee en de dichter. Het zijn de enige ster­velin­gen die het veld van tijd tot tijd gadeslaan. En er uithalen wat voor hen van waarde is.
De oogst van dit veld met strobalen is meer dan alleen strobalen.
Ik had het ook. Telkens als ik in de buurt was ging ik langza­mer rij­den als ik voor­bi­jging. Tot ik de auto stopte en het veld instapte. Hoe ruikt stof­fig stro? En hoe ver kun je kijken hier? Dat zijn belang­wekkende zaken voor een mens die een nieuw veld instapt. De stop­pels prik­ten onder mijn zolen. De zwarte schaduwvlakken van de strobalen gaven het veld een sym­me­trie, maar dat ver­sto­orde niet. Het ver­sterkte het land­schap met kubisme. Wat je ziet is niet belan­grijk, hoe je het ziet is de essen­tie. De met­al­ige klik van de sluiter. Aan het eind van de landweg zag ik de dom­i­nee naderen. Of de boer, de fietser of miss­chien zelfs wel de dichter. Ik kon zover niet scherp kijken. Het maakte ook niet uit. Het veld was al van mij.

———-
Mocht je deze foto groter willen bek­ijken en tegen een neu­trale donkere achter­grond, ga dan naar mijn foto-website ceesmaas.net

Pop­u­lar­ity: 11% [?]

Het oer-hotel Bosch en Zee

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

Van­mid­dag heb ik een foto genomen van hotel Bosch en Zee. Geflan­keerd door twee fiere Zeeuwse vlaggen, een flink stuk duin op de voor­grond en een donkere lucht erboven. Het is een iet­wat woeste foto gewor­den. Dat moet ook. Hotel Bosch en Zee is voor mij het oer­ho­tel in Dom­burg. Hier is onze clan, de clan der Mazen, ontstaan. Mijn groot­vader bouwde het in het jaar 1933, toen het toerisme in Dom­burg aarze­lend een wat beloven­der vorm ging aan­nemen.
Groot­vader Kees Maas dreef een klein loge­ment in de West­straat (waar nu de chi­nees zit) maar wilde meer. Hij kon een lap grond kopen van het toen­ma­lige Bad­ho­tel pal onder­aan de duinen. Een gouden plek voor een hotel, begreep hij toen al. Op de grens van bos en zee, van­daar de weinig orig­inele naam. Hij schreef bos echter wel met ‘sch’ dat moet ik de oude Klitte (zijn bij­naam) nageven. Hij bouwde zijn hotel op de plek waarover de toen­ma­lige gemeen­tes­ec­re­taris H. M. Kesteloo in 1871 schreef:
’het bosch, dat met zijn lom­mer­rijk geboomte eene aan­ge­name wan­del­ing over het kro­nkel­pad aanbiedt.’

Bosch en Zee is een typ­isch Dom­burgs fam­i­lieho­tel. Nu nog, nadat de tweede gen­er­atie uit­baters, oom Jan en Tante Lein­tje, het verkocht hebben om na hun pen­sioen te gaan uitrusten in een ander huis in het dorp. Van de peri­ode dat opa en oma het hotel dreven, weet ik slechts enkele vertelde anek­dotes.
– Dat oom Jan als jon­gen er een keer bijna gestikt is in een pinda.
– Dat opa een wapen­verza­mel­ing bezat en zijn zonen soms met blink­ende kromzwaar­den door het achterliggende bospaadje gillend achter angstige voor­bi­j­gangers aanzaten.

Dat soort dingen.

Opa verkocht zijn hotel aan zijn zoon Jan en ging er pal naast wonen. Je ziet dat huisje rechts op de foto. Hij noemde het huis ‘Het Veer’ en dat had wel degelijk een his­torische achter­grond, want heel vroeger, way way back, toen het hele Nehalen­ni­age­bied nog een natu­urlijke haven was, schi­jnt er een veer­di­enst op Enge­land en op Knokke te hebben bestaan. ‘Het Veer­huis’ verkocht kaart­jes voor de over­tochten en was tevens een kroeg. Nog enkele eeuwen vroeger, we praten over de vijfde eeuw na chris­tus toen Dom­burg een belan­grijke han­del­splaats aan de oude Schelde­mond­ing was, werd die omgev­ing ook gesierd door enkele bor­de­len, een ‘vis­chhuis’ en een hand­vol pakhuizen, voor­namelijk voor servies, pekel­har­ing en vissaus.

Er is dus heel wat gebeurd op de plek waar groot­vader Maas zijn hotel bouwde. De plaats is niet onschuldig.
In het lat­ere woon­huis van groot­vader, rechts dus op de foto, werd de boven­ste verdieping ver­hu­urd aan zijn dochter Lore, een ver­bit­terde dame die in de laat­ste oor­log poli­tiek aan de ver­keerde kant was gaan staan en tot aan haar dood in merk­waardige ubermensch-theorieen geloofde. Daar­boven, het raam achter die recht­ste vlag, zat ze altijd achter het raam met een oude zwarte ver­rek­ijker die tien­maal ver­g­rootte te mop­peren en naar voor­bi­j­gangers te loeren. Ze con­troleerde de hele duin­rand. Dat moest, vond ze, want je wist nooit.

Hotel Bosch en Zee was in de peri­ode dat oom Jan en tante Lein­tje het dreven een warm huis. Er waren veel dieren, de Dom­burgse gastvri­jheid (altijd koffie, vooral nooit vooraf bellen als je langs wilde komen) werd daar volop bedreven. Er werd bij­zon­der hard gew­erkt om alles gaande te houden, maar er hing altijd vrolijkheid als je bin­nen­stapte. Althans, dat was mijn belev­ing. Op de ven­ster­bank in de woonkamer lag een ver­rek­ijker waarmee je de nachte­galen en de sper­w­ert­jes in de bosrand kon bek­ijken. Oom Jan zorgde dan voor de achter­grond­in­for­matie. Hij kende alle vogels. En tante Lein­tje zorgde, van de vroege ocht­end tot de nacht viel. Met humor, nooit met geklaag. Zat je daar in die woonkamer in de avond naar de nachte­galen te luis­teren, of naar de voet­bal te kijken, kwam er een Duitse badgast bin­nen om een flesje cola te kopen. Tante Lein­tje vertelde dan dat deze Herr al twintig jaar elke zomer gast was, ze vertelde zijn voor­naam, de naam van zijn vrouw, zijn kinderen en soms ook de namen van zijn kleinkinderen. Tante Lein­tje kende alle gas­ten. Het kon makke­lijk gebeuren dat de Duitse Herr plaat­snam in de woonkamer en de voet­bal­wed­strijd op tv ver­zorgde van een toelicht­ing in gebro­ken Nederlands.

In die zin is hotel Bosch en Zee ook een oer-hotel voor Dom­burg. Geen onderdeel van een anon­ieme hotelketen, maar gedreven door een fam­i­lie die per­soon­lijk met de gas­ten omgaat en waar een gast eerder een mens is dan een stukje omzet. Dat klinkt nogal sukke­lig en chlicheematig, maar het is wel zoals het is. Hotel Bosch en Zee is een sym­bool, denk ik, van wat ze in Dom­burg vroeger zo graag van zichzelf zei­den en waarmee ze reclame maak­ten in het buiten­land en op VVV-folders: Een fam­i­liebad­plaats.
Dom­burg is niet alleen de oud­ste bad­plaats van heel Zee­land, maar hotels als Bosch en Zee zijn er op een of andere manier bewaard gebleven. Er zijn veel meer hotels met dezelfde ‘for­mule’ in Domburg.

Voor mij was Bosch en Zee een warm huis. Een huis vol ver­halen. Je hoorde er dag en nacht de zee en oom Jan was op de oprit een zeil­boot aan het bouwen ter­wijl zijn dochter Anne de nieuwe witte Opel Kadett waste. De keer dat oom Jan en zijn zoon Henk een houten tafel­blad draaiden in de schuur en het blok hout loss­choot uit de draaibank en dwars door het dak heen richt­ing hemel vloog. Ze von­den het prachtig en je wist al een tijdje: Voor avon­tuur moet je in hotel Bosch en Zee zijn. Dat ik en mijn nicht Sonja over het bospadje wan­delden en reeds van veraf oom Jan op zijn verzil­verde eupho­nium hoorde blazen. Dat is Mozart, wist Sonja.
Die beelden van vroeger zijn maar frag­menten en ze zijn vor­mgegeven door de voortschri­j­dende tijd. Je herin­nert je wat je je wilt herin­neren. Veer­tig jaar na de dag dat Sonja zei dat je Mozart op het bospadje hoorde, besluit je een foto te nemen van dat grote huis aan de duin­rand. Het huis van waaruit je fam­i­lie is ontstaan. Je ziet dan dat ven­ster­raam waarachter je rare tante naar alle mensen loerde en je ziet een stuk van de oude woonkamer waar de ver­rek­ijker klaar­lag om naar de nachte­galen te kijken. Daarom schiet je die foto. Je wan­delt veer­tig jaar later nietsver­moe­dend langs dat huis en ineens waait alles open.

Pop­u­lar­ity: 19% [?]

Een avondmaal in ‘t Badpaviljoen

Skyline van Domburg met rechts het koepeltje van het Badpaviljoen

Sky­line van Dom­burg met rechts het koe­peltje van het Badpaviljoen

Een tar­taartje van zalm met daar­bovenop een luchtig gefritu­urd stukje verse krab. Daarna een mootje kabel­jauw. Op het vel gebakken, vergezeld van een beetje wilde spinazie. Dan arriveert een stukje haas, a point gebakken, met knolselder­i­jpuree, waar­van iedereen aan de ronde tafel onmid­delijk zeker weet dat dit wel de aller­lekker­ste knolselder­i­jpuree is die ooit is genoten. De strand­visser in ons gezelschap heeft zich een zee­tong aangeschaft, begraven onder een bergje gri­jze gar­nalen. Hij kre­unt goed­keurend. De glazen rinke­len en het bestek tikt op de porceleinen bor­den. Op hon­derd meter afs­tand fluis­teren de Dom­burgse gol­ven tegen het strand. Het is hier okee. Eten met mensen die je leuk vindt, in een (om dat vre­selijke woord maar eens te gebruiken) gezel­lige entourage. Het is hier meer dan okee. Als mensen kon­den spin­nen, zou een zacht gezoem boven deze tafel oprijzen.

We eten in het Bad­paviljoen. Bovenop ‘t Duun­tje.
Het is bij­zon­der dat we hier zit­ten. Tussen ons en de grote Noordzee niets dan een dun laagje glas. Vroeger mochten gewone ster­velin­gen als wij niet eens in het voor­por­taal van dit sjieke gebouw komen. Het Bad­paviljoen was voor de rijken, die er een soos hielden. En er golden strenge aparthei­dswet­ten voor de dor­pelin­gen. Maar de tij­den zijn veran­derd, het Bad­paviljoen is her­bouwd, vernieuwd en democ­ra­tis­cher gewor­den. Daarom, hoera, geni­eten wij nu van dit avond­maal aan zee.
De nagerechten wor­den geserveerd. Een tri­ootje van choco­lade­mousse, handge­maakt roomijs en een sub­liem pud­dinkje waar­van ik de beschri­jv­ing ver­geten ben.
Het is een feestje. We vieren de geboorte van het boek van de strand­visser.
De vrouw van de strand­visser vertelt over haar reizen. Eens heeft ze de Her­mitage in St.Petersburg bezocht. De glet­sjers van IJs­land, de wouden van Canada. Ze vertelt over de zeden en gewoon­ten van haar geboorteplaats West­kapelle. Waar het vol­strekt nor­maal was dat je een­maal per week je straatje schu­urde met bleek­wa­ter. En dat de burg­erij in het alge­meen daar ook ste­vig soci­aal con­trol­erend toezicht op hield. Dat je je maar aan dat dorp­sre­gle­ment hield.
Vooraf­gaande aan elke gang komt een kel­ner aan je tafel te vertellen wat je nu weer te eten kri­jgt. Zijn toe­spraak­jes duren ongeveer een halve min­uut.
De bedi­en­ing ziet veel en stelt zich actief op. Een klein meisje huilt ergens om en een kel­ner vraagt onmid­delijk of hij ergens mee kan helpen.

En als De Vrije Dom­burger en zijn dame tussendoor in het donker buiten hun avond­si­gaartje roken en naar de zee staren, komt er een kel­ner naar buiten om te vra­gen of er licht genoeg is en of we wat anders blieven. Nee dank u, op de ter­ras­rand tussen de enge­len en de griekse zuilen staat dis­creet een kleine asbak. Dat is alles wat we blieven.

Bin­nen is het warm en rustig. Door de ramen kun je het zomer­huis van Aarnout Helb zien, donker en een­zaam tegen de duin­rand. Ik herin­ner me een intens gedicht van hem over het graf van de Dom­burgse schri­jver Van Scha­gen. Het duin­pad heet hier ook Boule­vard van Scha­gen. Late wan­de­laars schuiven als schim­men voor­bij over de boule­vard. Het is een foto met een hele lange sluiter­tijd. Het is decem­ber, noor­doost­en­wind, dus koud, en er zijn niet veel toeris­ten in Domburg.

De restau­rantzaal is sober, strak en prachtig ingericht. De koks kun je zien werken in de open keuken, ze dra­gen alle­maal een frans kalotje. Mijn vooro­ordeel over de aparthei­dswet­ten van vroeger zat nog zo vast­gemet­seld in mijn kop, dat ik voor deze gele­gen­heid een col­bertje heb aangedaan. Het was niet nodig geweest: Het Bad­paviljoen is vrien­delijk en onged­won­gen gewor­den. Ik ben de enige met een jasje in de zaal.

Na genoten zaken wan­de­len we huiswaarts door het donker van Dom­burg. De maag voelt super­goed. De hond van Tom van Hotel Nehalen­nia loopt buiten wat te schar­re­len. John-Peter van Hotel Zonneduin doet de lichten uit. Christof­fel van Hotel Duin­lust heeft de oude limon­ade­fab­riek naast zijn hotel gekocht. Slim, want de strook hier voor het vernieuwde Bad­paviljoen heeft de poten­tie van een goud­kust. We wan­de­len langs Looverdale op het Vil­la­park aan. Een­drachtig komen we tot een gelijk­lu­idige con­clusie: Het is een schone avond geweest.

Pop­u­lar­ity: 12% [?]

Boek Wim Vreeke nu te koop bij Bol.com

nu te koop bij bol.com

nu te koop bij bol.com

Het boek van Wim Vreeke, De Zeeuwse Strand­vis­serij, is nu ook te koop bij de groot­ste online boek­winkel van Ned­er­land, bol.com. Als je het via de onder­staande link bestelt, heb je het in 2–3 werkda­gen thuis. Wim zelf, heeft veel reac­ties gehad na de pre­sen­tatie van het boek. Uit ongeveer alle streken van het land, maar vooral uit Zee­land.
De uit­gever heeft het boek met opzet niet te duur gemaakt; met een verkoop­prijs van net nog geen tien­tje, is het een ideaal cadeautje.
Dit is de link waar je het boek met enkele drukken op de knop een­voudig kunt bestellen:

http://www.bol.com/nl/s/boeken/zoekresultaten/Ntt/De+Zeeuwse+Strandvisserij/Ntk/nl_books_all/Ntx/mode+matchallpartial/Nty/1/N/1430/Ne/1430/search/true/searchType/qck/index.html?_requestid=21818

Pop­u­lar­ity: 11% [?]

Het licht van Nehalennia

Replica van de Nehalenniatempel in Colijnsplaat - foto Cees Maas

Replica van de Nehalen­ni­atem­pel in Col­i­jn­splaat — foto Cees Maas

Wie weet echt wie ze was? Nehalen­nia, de godin van de oude Schelde­mond­ing. Ze spreekt al eeuwen tot de ver­beeld­ing. In Col­i­jn­splaat en Dom­burg ston­den haar tem­pels. In Col­i­jn­splaat hebben ze haar waardig her­dacht en een prachtige kopie van haar tem­pel geplaatst. Dom­burg moet het (vooral­snog) met een wat merk­waardig kunst­werk doen. Schri­jver Henk Postma dook diep in de Zeeuwse geschiede­nis. Hij noemt zijn stuk zelf: Het genezende licht bij de Helle.

Door Henk Postma
De oor­sprong van Nehalen­nia, de godin van de oude Schelde­mond­ing en de enige godin die Ned­er­land ooit heeft gek­end, lijkt nog steeds in dikke neve­len gehuld. Oud­hei­d­kundi­gen houden het op een raad­sel. Zoals ze ook met de mond vol tanden staan wan­neer hen gevraagd wordt naar de herkomst van Neeltje Jans, de naam van de zand­plaat waarop Rijk­swa­ter­staat de Oosterschelde-stormvloedkering bouwde. Maar voor prof. dr. Arnold Cor­nelis, oper­erend vanuit zijn eigen ‘filosofie en ken­nis­cen­trum’ aan de Koe­poort­straat in Mid­del­burg, is het zon­neklaar: Nehalen­nia is Neeltje Jans, moed­er­godin uit de Keltische mytholo­gie. De eerste naam ‘Nehalen­nia’ werd haar toebe­dacht door geleer­den, zij die de ken­nis had­den van het schrift. De tweede naam ‘Neeltje Jans’, is veel ouder, en afkom­stig uit de volksmond. De beteke­nis is gelijk: het genezende licht bij de Helle, waarmee in die tijd de Noordzee werd bedoeld.

In zijn baan­brek­ende ‘Filosofie van de Sta­biliteit­sla­gen in de Cul­tuur als Nestel­ing der Emoties’ voert Cor­nelis de Keltische godin Nehalen­nia alias Neeltje Jans ten tonele als ‘het mytisch beeld van de moederbind­ing’, worte­lend in het ‘natu­urlijk sys­teem’ van de Keltische volk­eren die leef­den langs de kust van de Noorzee, vroeger Hel(le), Hol(le) en Harle genoemd. Ze is de godin van de gebor­gen­heid: hoed­ster tegen de angst voor het water, de ver­slin­dende diepte van de Hel(le). Het chris­ten­dom maakte daar later het vage­vuur van. En verv­ing Nehalen­nia door de Heilige Maagd. Nu die, op haar beurt, door het geloof in de tech­niek is weggevaagd, biedt de stor­mvloed­ker­ing hou­vast. Ver­ankerd in de schoot van Neeltje Jans, de godin die de ver­beeld­ing weer aan de macht bracht.

Er zijn de afgelopen decen­nia al vele deftige con­gressen, ten­toon­stellin­gen en stud­ieda­gen aan de Godin gewijd. Maar de geves­tigde krin­gen weten er nog immer geen weg mee. Het Zeeuws museum bli­jft haar hard­nekkig afficheren als een ‘inheemse godin uit de Romeinse tijd’. Alsof de geschiede­nis daar ophoudt. Zo kon het dit jaar gebeuren dat in het museum trots een ‘Romeinse zaal’ werd ingericht. Met als pronkstukken een serie altaren en beelden die aan Nehalen­nia zijn gewijd. Ver­weerde votief­ste­nen die bijna twintig jaar terug bij Col­i­jn­splaat uit de Oost­er­schelde wer­den gevist, wat betekent dat daar ooit één van haar tem­pels stond. Eve­nals bij Dom­burg, waar het strand drieën­halve eeuw gele­den al brokstukken bloot­gaf van een Nehalennia-heiligdom. Die vondst ontrukte de godin des­ti­jds aan het rijk der ver­getel­heid waar­naar ze door het chris­ten­dom was ver­ban­nen. Het kan haast niet anders of het altaar dat ooit in Zee­land door Willi­bror­dus — de brenger van de bli­jde bood­schap — in stukken werd ges­la­gen, was aan Nehalen­nia gewijd.

Inder­daad, de plot­sel­ing weer uit zand en water tevoorschijn gekomen Nehalennia-altaren dateren uit de Romeinse tijd. Daar hebben ze bij het Zeeuws Museum gelijk in. Langs die Romeinse weg kwam Nehalen­nia de geschreven geschiede­nis bin­nen. Maar ze was, zoals alle godin­nen, natu­urlijk veel ouder. Ze was de pre­his­torische godin van een Keltisch volk uit West-Europa dat leefde langs de kust van de Noordzee, die des­ti­jds heel anders heette. In de streek die nu door Vlamin­gen en Zeeuwen wordt bewoond, noem­den ze die zee de Hel(le). Wat noordelijker werd het de Hol(le). En in de streek die nu Fries­land heet spraken ze van de Harle. Oud­hei­d­kundi­gen kri­j­gen maar weinig vat op die tijd. Ze staren zich blind op de tek­sten die in de altaren van Nehalen­nia staan gegrift. Dat was taal van de Romeinse geleer­den. De naam Nehalen­nia werd hen door Keltische priesters, de druï­den, gedicteerd. Wat er schuil gaat achter die naam, vertellen de geschiedenis­boeken niet.
Die weten­schap had­den alleen de Kelten.

De Keltische cul­tuur ligt ver­bor­gen onder opeen­vol­gende lagen Griekse, Romeinse en chris­telijke cul­tuur. En voor wat het Zeeuwse deel van de Delta betreft, ook nog eens onder dikke lagen slib, zand en water. De Kel­ten zelf schreven niet. Behalve wat geheim­taal van de priesters, kenden ze geen schrift. Ze onthielden alles uit het hoofd, met als gevolg dat we slechts weinig van hen weten. Ten­zij we terug­gaan naar de taal, afkom­stig uit de volksmond, en zoals die des­ti­jds door de Kel­ten werd gesproken.

De filosoof prof. dr. Arnold Cor­nelis (hoogler­aar in de sociale the­o­rie van de ken­nis aan de Vrije Uni­ver­siteit Brus­sel) keek verder dan de dode ste­nen van de arche­olo­gie. Zijn ‘Filosofie van de Sta­biliteit­sla­gen in de Cul­tuur’, bezorgden hem de sleu­tel: de wor­tels van taal, of liever de ‘moed­er­taal’. Want daarin ligt het spoor terug naar het ‘natu­urlijk sys­teem’ van de Kel­ten, een samen­lev­ing van mythisch denken, voort­brenger van de eerste grote Europese beschav­ing. Die was nog niet geor­dend vol­gens de tech­niek van schrift, wet­gev­ing en ‘sociale regel­sys­te­men’. Daar was een tweede beschav­ings­golf voor nodig, de Griekse, met als ken­merk het schrift, gevolgd door een Romeinse met een wet­gev­ing, leger en poli­tiek systeem.

De Kel­ten waren een zee­varend en trekkend volk dat uitzwierf over heel Europa tot in Klein-Azië toe. Ze ver­brei­d­den hun cul­tuur van de ‘mythis­che gebor­gen­heid’ in ‘het natu­urlijk sys­teem’ langs de wegen van de com­mu­ni­catie in die tijd, namelijk over water. Ze vor­m­den dan ook niet zozeer een volk, als wel een beschav­ing, het was een men­geling van volk­eren en talen. Maar de beelden, de arche­typen van mythisch denken, waren dezelfde. Die bepaalden de een­heid van denkwi­jze van de cultuur.

Veel van die oude mythis­che beeld­vorm­ing, ontstaan langs de riv­ieren en de kusten van Europa, werd in aangepaste vorm door de lat­ere Griekse, Romeinse en Chris­telijke cul­turen overgenomen. Zon­der bron­ver­meld­ing, voor eigen doelein­den aangepast, en via het schrift vast­gelegd. Zo werd de Nehalen­nia, de godin van de vroegere Schelde­mond­ing, als sym­bool van de moederbind­ing afgevo­erd en ver­van­gen door de Heilige Maagd. Die ver­scheen daar in de gestalte van een raad­selachtig tot stand gekomen schilderij. De streek van Nehalennia’s heilig­dom­men veran­derde daarmee in een chris­telijk bede­vaart­so­ord, genaamd ‘Onze Lieve Vrouw in de Polder’ (Vrouwenpolder).

Griekse filosofen ver­melden dat ze de Keltische druï­den als hun leer­meesters beschouw­den. De eerste filosoof van de oude Griekse wereld, Thales van Milete, in Klein-Azië, verkondigde ruim zes eeuwen voor Chris­tus, dat alles was ontstaan uit water. Hoe hij daar bij kwam weten we niet, maar we kun­nen het nu begri­jpen. Want Milete was een han­delsstad, gele­gen aan een riv­ier, met veel invloe­den, het was een Keltisch motief.“
Er zijn aan­wi­jzin­gen dat de Griek Home­rus zijn ver­halen, de Ilias en de Odyssee, optek­ende uit de mond van een Keltische druïde, en dat die vertellin­gen uit Enge­land en Zee­land afkom­stig zijn. Home­rus situeert zijn vertellin­gen in de Griekse wereld. Maar dat spoort niet met het kli­maat waarin ze zich afspe­len: het is een kli­maat van mist en regen, een zee met een sterke eb– en vloed­be­weg­ing, en typ­isch Keltische gebruiken als lijkver­brand­ing. De Ned­er­landse econoom Imam Wilkens, residerend te Par­ijs, ves­tigde daar bijna tien jaar gele­den al de aan­dacht op in zijn lijvige Engel­stal­ige studie ‘Where Troy once stood’, ver­sch­enen bij de Lon­dense uit­gever Rider.

Wilkens sug­gestie als was het Zeeuwse deel van de Delta ooit een religieus cen­trum van de Kel­ten, werd door oud­hei­d­kundi­gen meteen naar het rijk der fabe­len ver­wezen. Maar hun argu­menten klonken weinig over­tu­igend. Het heeft er veel van weg dat ze de geschiede­nis liever laten ophouden bij het punt waar hun vakge­bieden verder kijken onmo­gelijk maakt, dan andere dis­ci­plines serieus te nemen. De filosofie van Cor­nelis, geschraagd met de vrucht van zijn taalkundig onder­zoek geeft oplossin­gen voor raad­sels die de oud­hei­d­kundi­gen tot dusver met de mond vol tanden lieten staan.
Kort en goed komen zijn belan­grijk­ste bevin­din­gen hier op neer: De beteke­nis van ‘Nehalen­nia’ is dezelfde als die van ‘Neeltje Jans’, de naam van de zand­plaat waarop Rijk­swa­ter­staat de Oosterschelde-stormvloedkering bouwde. Beide namen beteke­nen: ‘Het genezend licht bij de Hel(le)’, tegen­wo­ordig de Noordzee geheten.

Nieuw is dit alles al lang niet meer. Cor­nelis schri­jft er al enkele jaren over. In zijn bijna achthon­derd bladz­i­j­den tel­lend boek over de ‘Log­ica van het gevoel’, waarin hij zijn ‘Filosofie van de Sta­biliteit­sla­gen in de Cul­tuur als Nestel­ing der Emoties’, uit de doeken doet, wijdt hij er ander­half hoofd­stuk aan. Dat boek is inmid­dels al in acht­ste ver­meerderde druk ver­sch­enen. Hij pub­liceerde er ook over in een Zeeuws heemkundig tijd­schrift. En hij maakt er al jaren­lang gewag van tij­dens de hon­der­den spreek­beurten waar­voor hij overal in het land, en ook in Zee­land, wordt gevraagd. En toch bli­jft geves­tigd Zee­land doof. Zoals ook de geleer­den­taal, lange tijd de oor­sprong van alle schriftelijke bron­nen, alle ken­nis over de Keltische oor­sprong van de Schelde-godin weg­po­et­ste.
Daarom terug naar de volk­staal. Want daarmee komen we wel verder.

De volksmond zorgde ervoor dat Neeltje Jans, als naam voor de zand­plaat in de Ooserschelde-monding, door de eeuwen heen behouden bleef. Ze werd gebruikt door schip­pers en vis­sers. Op zeekaarten kwam ze niet voor. Pas aan het begin van de negen­tiende eeuw ver­scheen Neeltje Jans voor het eerst op de kaart. „Dat gebeurde door toe­doen van een Franse car­tograaf, onder invloed van de Romantiek. Want pas in de Romantiek, die in Frankrijk begon, hechtte men waarde aan het volk­seigene, met zijn mythen en sprook­jes, en aan de namen die door het volk wer­den gegeven.“
Neeltje Jans mocht dus bli­jven. „De uit­gang ‘s’ geeft aan dat het gaat om een plaat­snaam, de verbli­jf­plaats van ‘Neeltje Jan’, in de vrouwlijke vorm ‘Neeltje Jaan’. Die naam gaat terug op de com­bi­natie van ‘Ne’, ‘Helle’ en ‘Jaan/s’. Het eerste deel betekent ‘nabij’. Het tweede, ‘Helle’, was de oude naam voor de Noordzee: de donkere diepte, voor­w­erp van angst omdat de zee doo­d­soorzaak num­mer één was. Die angst was vanaf de oud­heid ver­bon­den met het hele Deltagebied.

De naam Jaan is ver­want met Jeanne in het Frans en Joan in het Engels. In het Engels ver­schi­jnt er een licht ‘d’ voor de ‘j’ van Joan. De ‘di’ klinkt ook door in de naam van de Romeinse godin Diana, dan kri­j­gen we ‘dija’. Alle deze namen gaan terug op de wor­tel ‘(d)ija’ die ‘doorschi­j­nend licht’ en dus helder­heid betekent. Er is ook een verbind­ing mogelijk van ‘Jaan’ en de Keltische beteke­nis van ‘ij(a)’, dat water betekent. Dan kri­jgt ‘Jaan’ de beteke­nis van doorschi­j­nend licht op het water, waar­bij een genezende of her­stel­lende kracht werd vooron­der­steld.“
„In de Lati­jnse ver­sie spreekt men van Diana van het woud, ze was aan­vanke­lijk vergezeld van een hond, een Keltisch motief, dat sym­bool was voor een huis­dier, maar ook de beteke­nis had van trouwe begelei­der in het rijk van de doden en als sym­bool voor genez­ing werd gebruikt. De toevoeg­ing dat het in de Romeinse mytholo­gie ging om een Diana van het woud kan er op wijzen dat er ook een andere Diana was, een Diana van de zee, de ‘Jaan’ van Neeltje Jans.”

Nehel­lenia, de geleer­den­naam voor de godin, begint net als ‘Ne/Helle/Jaan/s’ met de plaat­saan­duid­ing; nabij. Dat kun­nen we verbinden met de naam voor de zee de ‘Helle’, die ook wel werd uit­ge­spro­ken als Holle of Hale(n), wat ook blijkt uit de ver­schil­lende schri­jfwi­jzen op de altaarstukken. Het eerste stuk van de naam ‘Nehalen­nia’ betekent dus ‘bij de helle’, of ‘bij de hale’, bij de Noordzee. Als we nu ‘ia’ toevoe­gen, dan hebben we Nehalen­nia. De ver­dubbel­ing van de ‘n’ is een gevolg van ver­spring­ing en betreft alleen de relatie tussen schri­jfwi­jze en uit­spraak, de volksmond zette de ‘n’ achter­aan.“
„Zo ont­ton­den naast elkaar de volk­snaam Neeltje Jans voor de zand­plaat en de geleer­den­naam Nehalen­nia, gebeit­eld op de altaarstukken die zijn gevon­den onder water, nabij dezelfde plek. Wie dat niet direct vat moet eens rij­den over de Oosterschelde-stormvloedkering en kijken naar de zee. De dagen ver­schillen en de momenten van de dag, het licht van de zee is altijd anders. Tegen­wo­ordig kan iedereen het zien, als je die weg neemt, de weg van de betover­ing. Vroeger kenden alleen de schip­pers en de mensen aan de Helle die schoonheid. Maar zij kenden nog iets meer. Wan­neer de grote gol­ven vanuit de betekke­lijk diepe Noordzee de ondiepe kust nader­den bij de zand­plaat Neeltje Jans, dan kon­den die gol­ven hun beweg­ing niet voortzetten, het water spoot omhoog, dat heet een grondzee. In het zee­wa­ter zit fos­for van plank­ton, dat groen oplicht. Als de schip­pers vanuit de zee de kustlijn nader­den, dan zagen ze, in het duis­ter, dat licht, het licht bij de Helle, de plek waar ze moesten komen zon­der te ver­gaan in de grondzeeën, bij Neeltje Jans, die de mythis­che aan­duid­ing kreeg van een godin.”

Als een Keltische kri­jger gewond op het slagveld achterbleef, ter­wijl de duis­ter­nis inviel en de kou het land­schap omhulde met nevels, dan wist hij dat hij die nacht zou ster­ven. Bij die gedachte kwam het beeld van een nimf in hem op: de fee Mor­gen, in het Engels Mor­gan. Uit de slierten van nevels trad zij naar voren en zij nam hem op en droeg hem naar het hier­na­maals, als een moeder die zich ont­fermt over haar kind. Als de lijkrovers en de over­win­naars de vol­gende mor­gen kwa­men zoeken naar buit von­den ze slechts zijn ontwrichte lichaam, zijn geest was verd­we­nen, meegenomen door Mor­gan, naar thuis, een oord waar hij graag was, waar rust heer­ste en vrede, een eiland waar geen lev­ende komen kon.“
„Aangenomen mag wor­den dat in het gebied van de Delta, en bij de Kel­ten die aan de zee­vaart hun bestaan ontleen­den, ver­drink­ing de meest voorkomende doo­d­soorzaak was. Daarom zal Neeltje Jaan — hoewel eve­neens sym­bool van moed­er­lijke gebor­gen­heid — een ander werk­ter­rein hebben gehad en een andere rol hebben vervuld dan de fee Mor­gan. Neeltje Jaan hield toezicht op de zee en zorgde voor de berg­ing van dege­nen die waren ver­dronken. Zoals de fee Mor­gan ver­scheen in de gedaante van nevels, zo zagen de bewon­ers van de kust Neeltje Jans in het licht van de zee.”

Een mens door­loopt een cyclus, vertrekt in zijn bestaan vanuit het vrucht­wa­ter in de moed­er­schoot en eindigt in het hier­na­maals dat werd voorgesteld als water en zee. Het Zeeuwse wapen zegt ‘ik wors­tel en kom boven’, boven water, maar uitein­delijk is dat voor het indi­vidu niet zo, we zakken, dat ligt besloten in het­zelfde beeld. Onder­gaan in water is sym­bool voor de dood. het begin en het eind van de din­gen is water, de Helle. Het chris­ten­dom nam die naam, de ‘hel’, over als aan­duid­ing van de plaats waar dege­nen ver­toef­den die waren ver­laten, niet opgenomen, ze waren niet bij Neeltje Jaan.“
„Neeltje Jans was de bescher­mgodin van de zee, en wellicht tevens een nimf, want nim­fen horen bij riv­ieren, en hier ligt de mond­ing van de Schelde. Het was de tijd van de vrouwelijke goden, het sym­bool van de gebor­gen­heid in het ‘natu­urlijk sys­teem’. Dat zij daar was, juist op die plek, daar was alle reden voor, zij was de Rijk­swa­ter­staat van vroeger. Dat juist op die plek nu de Oosterschelde-stormvloedkering ligt, laat de ver­bor­gen stur­ing zien van de log­ica van het gevoel. Het is een prachtige lus van terug­meld­ing. Het gevoel kri­jgt gelijk. De tech­niek wordt ges­tu­urd door de log­ica van het gevoel.”

Tot het bouwen van de Oosterschelde-stormvloedkering, ook wel ‘de tri­omf van tien eeuwen Ned­er­landse water­bouw’ genoemd, werd besloten in een tijds­gewricht dat ‘de ver­beeld­ing aan de macht’ was. Begin jaren tachtig toren­den de zesen­zes­tig pijlers die ‘het kunst­werk van de eeuw’ zouden gaan schra­gen, omhoog uit de bouw­put op de tot kun­st­matig eiland omgevor­mde zand­plaat Neeltje Jans. Op bezoek­ers liet dat schouwspel een onu­itwis­bare indruk achter. Ze had­den het over ‘won­der­lijk mastodonte kathe­dralen tegen de achter­grond van de altijd in beweg­ing zijnde lucht, omgeven door zon en zand, en omwoeld door wind en water’. Er werd van gezegd dat ze in geheimzin­nigheid wedi­jver­den met de Egyp­tis­che pirami­den. Ir. Theo Janssen, ver­keer­son­der­zoeker te Zoeter­meer, legde het pijler-landschap fotografisch vast als was het een ver­bond van tech­niek en mythe. „Toen ik door de bouw­dokken liep”, vertelde hij later, „kreeg ik het gevoel: het kan de toekomst zijn, maar ook het verleden. De kathe­dralen van vroeger, of de ruimteschepen van de toekomst. Het had iets religieus, alsof er tem­pels gebouwd waren voor een God die nog niet gek­end was.”

* Kern van dit artikel is een samen­vat­ting van het hoofd­stuk XXI, ‘Wie was Neeltje Jans?, de moed­er­taal als ken­nis­bron voor het ver­bor­gen verleden’, uit het boek ‘Log­ica van het Gevoel, Filosofie van de Sta­biliteit­sla­gen in de Cul­tuur als Nestel­ing der Emoties’, geschreven door prof. dr. Arnold Cor­nelis. Het artikel bestaat deels uit let­ter­lijke citaten en bew­erkin­gen van de oospronke­lijke tekst. Het hoofd­stuk waaruit is geput, vormt onderdeel van de afdel­ing III van het boek, dat han­delt over ‘de mythis­che gebor­gen­heid als cul­turele sta­biliteit­slaag van het natu­urlijk sys­teem’. Het boek (ISBN 90–72258-02–9; 800 bladz­i­j­den) is inmid­dels ver­sch­enen in acht­ste ver­meerderde druk. Het is een uit­gave van de Sticht­ing Essence Amsterdam/Brussel/Middelburg. Koe­poort­straat 6, 4331 SL Mid­del­burg. Van de hand van Cor­nelis ver­scheen daar dit jaar een tweede boek: De Ver­traagde Tijd, Revanche van de Geest als Filosofie van de Toekomst (ISBN 90–72258-03–7; 174 blz.)
* Ook is geput uit ‘Where Troy once stood’ van Ivan Wilkens, in 1990 uit­gegeven door Rider Lon­den, en ‘Home­rus, zanger der Kel­ten, Odysseus op Schouwen-Duiveland’ van Ernst Gideon, in 1973 uit­gegeven door Ankh-Hermes.

 

- Eventuele reac­ties, vra­gen, opmerkin­gen of aan­vullin­gen op dit artikel graag (ook) naar de schri­jver: Henk Postma, debard@zeelandnet.nl

Pop­u­lar­ity: 21% [?]

Presentatie boek Strandvisserij gladjes verlopen

Actiefoto: Gert Janssen (ANP)

Actiefoto: Gert Janssen (ANP)

Kijk eens naar die foto. Wim Vreeke in het schuimend nat, de steel van zijn eigenge­breide gar­nalenkor ste­vig in zijn hand. Het waren dit soort tafer­e­len waar de (lan­delijke) pers dol op was in de week vooraf­gaande aan de pre­sen­tatie van het boek De Zeeuwse Strand­vis­serij.
De pre­sen­tatie op zich ver­liep glad­jes en was een aan­ge­naam ver­pozen. Met dank nog aan Tom en Britta van Hotel Nehalen­nia. Dat hotel heeft toch de per­fecte ambiance voor zoi­ets. Ik telde 32 bezoek­ers, de meeste waren uitgen­odigd, maar er waren ook enkele gas­ten onaangekondigd gekomen, zoals de Mid­del­burgse kun­ste­naar Han Rei­jn­hout, van wie een teken­ing is opgenomen in het boek.
Nou, Willem hield een korte toe­spraak en over­handigde het sym­bol­is­che eerste exem­plaar van zijn boek aan Jan de Kam (93) de oud­ste strand­visser van Dom­burg. Jan vertelde daarna over vroeger. Hij had zijn fam­i­lie uit Amstelveen meegenomen: Plony en Mar­tin.
Wim Vreeke overhandigt zijn eerste boek aan Jan de Kam - foto Erik Roose

Wim Vreeke over­handigt zijn eerste boek aan Jan de Kam — foto Erik Roose


Ik zag Chris Maas, Roel Gabrielse, Mar­tin Maas, Koos Scher­phuis, Mat­tie Passe­nier, Tante Willy (!) en ik ont­moette Rut Zout­man, die in de stromende regen op zijn motor uit Ter­heide was gekomen en zes boek­jes kocht om aan zijn Hol­landse kor­nu­iten op een net­ten­bre­i­cur­sus te geven.
Ik sprak twee oude Walch­erse vis­sers die vroeger fuiken van wilgen­te­nen (weren, dus) bouw­den en daarmee in de water­gan­gen op pal­ing vis­ten.
De uit­gever Adri­aan Lan­gen­donk heeft, getu­ige de reac­ties, gesco­ord op Walcheren met het uit­bren­gen van het boek.
“Ha, lang niet slecht voor een Ams­ter­dammer”, con­sta­teerde hij daarover.
Nou, Han Rei­jn­hout ont­dekte de details van Hotel Nehalen­nia. Dat er overal in het pla­fond van de gelagkamer en de houten pan­e­len in de gang nog ver­bor­gen Jugend­stil– en Art Nouveau-motieven te vin­den zijn. Weinig mensen weten dat, ubri­gens.
Daags na de gemoedelijke lancer­ing van het boek ont­dek­ten gegadig­den in Dom­burg al snel dat de lokale boekhan­de­laar op ‘t Groen­tje het eerste suc­ces van het boek danig had onder­schat door slechts vijf exem­plaren in te kopen. En Wim Vreeke werd tij­dens de Dom­burgse Sinterklaas-intocht her­haaldelijk aange­spro­ken met de vraag hoe zijn boek te bestellen was.
vlnr Wim Vreeke, Plony de kam, Cees Maas, Jan de Kam - foto Erik Roose

vlnr Wim Vreeke, Plony de kam, Cees Maas, Jan de Kam — foto Erik Roose

Willem kreeg tele­foon­t­jes uit bijvoor­beeld Kloost­erzande (een boekhan­del­loos dorp) met de vraag hoe het boek te bestellen is.
Hier­bij dus nog even het ISBN­num­mer, mocht De Zeeuwse Strand­vis­serij niet voor­ra­dig zijn bij je favori­ete boek­winkel (het boeken­paradijs De Drvkkery in Mid­del­burg heeft altijd voor­raad).
Dat num­mer is: 978–90-79875–10-8

Schrijf dat op, geef het door aan de boek­winkel of bestel het boek via inter­net bij www.zeelandboeken.nl
Om de prijs hoef je het niet te laten.
9,90 euro: het per­fecte sin­terk­laas­cadeautje voor je lief, of iemand anders van wie je weet dat hij of zij een hang heeft naar de zee of naar Zeeuws cul­tureel erfgoed.

Pop­u­lar­ity: 17% [?]

Vis roken met Martin — een fotoserie

Martin bij zijn rookoven

Mar­tin bij zijn rookoven

Vis roken is een mooi iets. En een lekker iets. Mijn broer Mar­tin doet het regel­matig. Hij heeft een rookoven waar ik jalo­ers op ben; een grote dubbel­wandige en ge-isoleerde kast van roestvri­js­taal, waar wel een maal vis voor een weeshuis in kan. Van­daag was de rode poon aan de beurt. Een vis die zo lelijk is als je schoon­moeder, maar heer­lijk om te eten. Rode poon is geen bij­zon­der vette vis, wat hem moeil­ijker maakt om te roken. De kunst van het roken is namelijk om de vis zo goud­bruin mogelijk uit de oven te kri­j­gen. Bij makreel, har­ing en zalm, vet­tere vis­sen, gaat dat makke­lijker. Maar van­daag luidde de klok dus rode poon. Mar­tin pekelt zijn verse vis eerst een nacht in zout water (ongeveer 40 of 50 gram zout per liter water), plus wat knoflook en een (madame jeanette)pepertje en dan droogt hij de vis op de wind in een droogkastje met vliegen­gaas eromheen. Een­maal goed droog (dat is belan­grijk!) gaat de vis in de rookoven om een half uurtje te garen. Dan begint het rookpro­ces. Het vuurtje wordt geblust met hout­mot (een mengsel van beuk en eik) zodat het bin­nen flink gaat roken. De tem­per­atuur in de kast moet zo rond de zeventig graden Cel­sius schom­me­len. Het pro­ces duurt ongeveer drie kwartier, afhanke­lijk van de grootte van de vis.
Dan is het tijd om te proeven.
Warm is de vis nog niet hele­maal op smaak, dat komt pas als je de vis in kran­ten of alu­minum­folie wikkelt en hem daarin laat afkoe­len. Dan ontwikkelt zich de smaak. En de rode poon mag een lelijke vis zijn, daar proef je dan niets meer van.
Koud op je boter­ham.
Heer­lijk, mevrouw.
In Dom­burg wordt nog door een hand­jevol par­ti­c­ulieren regel­matig vis gerookt. Het is een tra­di­tionele hobby die weer in opkomst is omdat ze steeds meer ont­dekken dat de vroegere kust­be­won­ers van Walcheren zo gek nog niet waren. En een echte vent rookt toch zijn eigen vis?
Zodat je trui hele­maal door­drenkt is met die heer­lijke gerook­te­vis­lucht en de ogen van je vrouw gaan glinsteren?

Wil je meer weten van vis roken? Stuur een mailtje naar Mar­tin, hij helpt je graag.
Zijn mailadres:
natrisma@zeelandnet.nl

Klik hier om de foto­serie te bekijken

Pop­u­lar­ity: 27% [?]

De FotoKlik van Domburg — aflevering 2

rode poon in de rookoven

rode poon in de rookoven

de FotoK­lik van Dom­burg is een korte serie per­soon­lijke foto’s, gemaakt tij­dens een wan­del­ing in Dom­burg en omgev­ing.
Gewan­deld op 14 novem­ber 2009: Waarin Cees haast wegstormt op het strand (bij het paviljoen De Zeven Gol­ven), verzeild raakt in een zwerm persmuki­eten en van alle schrik bekomt met een vers­gerookt visje bij zijn broer Mar­tin.
Klik hier om aflev­er­ing 2 van de FotoK­lik te bekijken

Pop­u­lar­ity: 14% [?]

De pers & de eenzame strandvisser

de pers & Willem

de pers & Willem

Het was fris, deze ocht­end van de zeven­tiende novem­ber. Je zag weinig zeemeeuwen, alleen een paar ver­dri­etige scholek­sters. En aan de zeekant van het Dom­burgse strand klik­ten de sluiters van de verza­melde fotop­ers. Ze kwa­men Wim Vreeke fotograferen en fil­men omdat zijn boek over de strand­vis­serij vri­jdag wordt gep­re­sen­teerd. Zo’n gebeurte­nis is een beetje sta­tisch, met wat pra­tende mensen en een boekover­handig­ing. De foto­jour­nal­is­ten kozen daarom voor het echte beeld: Wim met zijn eigenge­breide Zeeuwse gar­nalenkor in de baren. Na afloop was er koffie met cake bij Wim thuis in de Schu­ur­mansstraat. De pers was niet ontevre­den zo bleek. De fel­rode jas van Willem con­trasteerde mooi met de donkere zee en de zware regen­wolken die opdoem­den.
Nee, Wim heeft niets gevan­gen.
Of het moet een verk­oud­heid wezen. Maar ik denk ook dat niet. Dom­burgse strand­vis­sers hebben daar niet zo heel snel last van. Klik op het fotootje voor een vergroting.

Pop­u­lar­ity: 13% [?]

Reconstructie van de vlag van Domburg

De burcht van Domburg

De burcht van Domburg

Veel Dom­burg­ers, jong en oud, kri­j­gen rillin­gen van dit plaatje. Ik ook. De burcht is voor Dom­burg wat de vuur­toren is voor Weskap­pel, de Lange Jan voor Mid­del­burg of de Eifel­toren voor Par­ijs. Je moet er niet over­dreven over doen, maar geef toe als je naar dit plaatje kijkt: die burcht heeft wat. Wat, weet ik niet. Het ontwerp is stoer en toch sier­lijk, ele­gant. Het is net niet krul­lerig, niet te gede­tailleerd, niet barok over­dreven, maar ook weer niet saai. Het is just enough.
Ik hou van mijn Dom­burgse burcht, altijd gedaan. En ik hou van die spe­ciale kleur blauw, afkom­stig van het oude gemeen­te­wapen van Dom­burg, het azuur. De com­bi­natie, die burcht in dat azuur, is voor mij hele­maal Dom­burg.
Pas op, nu zit ik toch over­dreven te doen. En ik weet, je moet oppassen met dit soort sym­bolen (want dat is die burcht toch vooral: een sym­bool), je moet je eigen chau­vin­is­tis­che gevoe­lens voort­durend analy­seren om te voorkomen dat je bloot bovenop de Hoge Hil gaat zit­ten met een Dom­burgse vlag rond je bast en gaat uitschree­uwen: DOMBURG IS DE BESTE PLAATS VAN DE WERELD. Want zo is het niet. Dom­burg is een mooi dorp en Dom­burg is een bij­zon­der dorp. Maar Dom­burg is natu­urlijk niet beter of slechter dan willekeurig welk ander dorp. Dat zijn dinget­jes waar je op moet let­ten als je het mooie ontwerp van onze burcht bek­ijkt en wordt over­spoeld door Nos­tal­gis­che Dom­burgsche Gevoe­lens.
My home­town.


De Domburgse panelen.

De Dom­burgse panelen.

Fran­cien heeft iets moois voor me gemaakt. Het hangt nu in mijn werkkamer en ik heb er een fotootje van gemaakt. Fran­cien heeft weinig last van al te diepe Dom­burgsche Gevoe­lens. Maar wel een oog voor schoonheid. Ze ging naar de Action, kocht voor een paar euro twee pan­e­len can­vas, pakte de schaar en knipte flui­tend (ze komt uit Aagtek­erke) de vlag van Dom­burg aan stukken. Zo maakte ze de twee pan­e­len (50 x 50 cm) die je hier­naast op de foto ziet. De burcht, met daar­naast in het azuur een enkele golf. Dit tweeluik is een prachtig sym­bool en zeer dec­o­ratief.
Een tip: maak het zelf als sin­terk­laas­cadeautje voor je eigen Dom­bur­gliefheb­ber thuis en je hebt een sin­terk­laas­jaar lang geen kind aan hem. Fran­cien overi­gens, zag mijn intense vrolijkheid over het cadeautje en denkt er nu over om er een han­deltje in te begin­nen.

Maar, zul je zeggen, je moet er wel een echte vlag voor kapotknip­pen. En Dom­burgse vlaggen zijn er niet zo veel. Ze zijn zelfs zeldzaam sinds de Stad­sraad er een aan­tal liet maken en met veel suc­ces de hele oplage in no time uitverkocht. Dat is zo. Aan de andere kant: er is iets met die vlag. Als je door Dom­burg fietst zie je hem wap­peren van de gevels van (bijvoor­beeld) Wim Houmes en David Jongepier. En als je dan wat beter kijkt zie je dat het prachtige azu­ur­blauw door de zon ste­vig is verbleekt. Dat zit in de pro­duc­tie van het mate­ri­aal. De Dom­burgse vlag zoals die nu is gefab­riceerd hangt er al snel flets bij. En dat is doo­d­jam­mer. Het blauw in de Zeeuwse vlag, als je dat moet vergelijken, is stral­end en kleurecht gebleven aan de vlaggen­stok. Kijk maar om je heen in deze span­nende provin­cie. Het is een trend: steeds meer zie je overal Zeeuwse vlaggen of (nog mooier) Zeeuwse wim­pels vrolijk wap­peren op de west­en­wind.
Voor de Vrije Dom­burger zijn die twee prachtige pan­e­len uit een uitkomst. Want je zou het niet zeggen, de Vrije Dom­burger houdt zielsveel van zijn dor­pje, maar hij heeft het zelf niet zo op vlagver­toon. Voor zichzelf dan. De Vrije Dom­burger bezit geen vlaggen­stok. Bij een ander vindt hij een fiere wap­perende vlag in de voor­tuin vaak wel mooi. Geen vlaggen­stok, maar toch een sym­bool van Dom­burg willen hebben. Van­daar dat die pan­e­len bin­nen aan zijn muur een uitkomst zijn voor zijn nos­tal­gis­che sentimenten.

De burcht en een enkele witte golf als sym­bool van de zee, in een veld van azuur. Naast elkaar aan de muur gehangen is het mooi gezicht, vind ik. Ik heb de burcht ook als piep­klein logootje boven deze web­site gezet. Zodat de bezoek­ers van deze web­site weten: Ich Bin Ein Doem­boerger.
Maar nu genoeg van dat. Wat his­torische feit­elijkhe­den nog, over dit sym­bool.
De vlag van Dom­burg is afgeleid van het offi­ciele oude gemeen­te­wapen.
Dom­burg werd in de staatsstukken op de wereld gezet door graaf Floris IV van Hol­land. Hij ver­leende de kleine ned­erzetting aan de Noordzee in het jaar 1223 stad­srechten. Daar lopen som­mige Dom­burg­ers nu nog van naast hun schoe­nen:
“Dom­burg is geen dorp, maar een stad”, zeggen ze dan op een toon­tje van wat­denkjedaar­van. Alsof een stof­fig besluit van een ver­geten der­tien­deeeuwse graaf inhoudelijk iets wezen­lijks toevoegt aan wat er nu is. Alsof een dorp ergens min­der­waardig zou zijn aan een stad.
Any­way, of er toen ook een wapen werd aangenomen is niet bek­end. De burcht in het wapen kan over­drachtelijk zijn bedoeld: Dom­burg als Duin­burcht. Het is echter maar de vraag of er ooit in Dom­burg een kas­teel heeft ges­taan. Opname van een burcht in het wapen zou ook alleen een sym­bool kun­nen zijn van het bezit­ten van stad­srechten. Men weet het niet.
Het wapen is in de loop der tij­den in wezen niet gewi­jzigd. Het is bek­end sinds de 14e eeuw. In de loop der eeuwen wordt het wel regel­matig afge­beeld met een kroon of met één of meerdere schild­houd­ers. Ook wat betreft de kleuren zijn er geen wijzigin­gen. Ook in de Nieuwe Cronijk van Zee­land van Smal­l­e­gange (1693) wordt het als zodanig afge­beeld en beschreven.
Na de Franse bezetting kwam men toe aan de nieuwe beschri­jv­ing van de gemeen­te­wapens in Ned­er­land. Dat zijn voor een Dom­burger mooie zin­nen om te lezen:
Lees maar mee, de beschri­jv­ing van 31 juli 1817:
” Van lazuur beladen met een dubbele burgt van zil­ver. Het schild gedekt met een kroon met 5 fleu­rons, alles van goud.”
Of deze, van 26 sep­tem­ber 1969:
” In azuur een geopende dubbele burcht met valdeur, van zil­ver, ver­licht van sabel. Het schild gedekt met een gouden kroon van 3 bladeren en 2 paarlen.”
Na de samen­voeg­ing met Oost­kapelle (1966) werd besloten het oude wapen te con­tin­ueren, zij het dat de beschri­jv­ing en de kroon wer­den aangepast. Het wapen van Dom­burg werd als stadswapen verkozen boven het wapen van de Ambacht­sheer­lijkheid Oostkapelle.

Het zijn mooie beschri­jvin­gen over dat azuur, de gouden kro­nen en die paarlen. Beschri­jvin­gen die macht willen uitstralen,ook. Zelf denk ik bij het woord azuur onmid­del­lijk aan de zee, en aan een favoriet gedicht van Slauer­hoff (Het Eiland) — het slaat wel op mijn twee nieuwe pan­e­len die nu als eilan­den aan mijn wand hangen.

Neem ik bezit van dit eiland,
Plant ik de zwarte vlag,
Neem iedere natie tot vijand,
Erken slechts ‘t azuur als gezag

Pop­u­lar­ity: 14% [?]